Woningwet

(Tekst geldend op: 16-03-2007)

Wet van 29 augustus 1991 tot herziening van de Woningwet.
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, en tal van andere titels.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is mede uit het oogpunt van vereenvoudiging en vermindering van regelgeving, alsmede uit het oogpunt van decentralisatie nieuwe voorschriften te geven omtrent het bouwen en de volkshuisvesting;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Hoofdstuk I. Begripsbepalingen

Artikel 1
1. Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan onder:
a. bouwen: het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een standplaats;
b. slopen: het afbreken van een bouwwerk of een gedeelte daarvan;
c. gebouw: elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;
d. woonkeet: een loods, keet of ander soortgelijk bouwwerk, bestemd om te voorzien in een tijdelijke behoefte aan woongelegenheid;
e. woonwagen: voor bewoning bestemd gebouw dat is geplaatst op een standplaats en dat in zijn geheel of in delen kan worden verplaatst;
f. bestemmingsplan: een bestemmingsplan als bedoeld in de Wet op de Ruimtelijke Ordening dan wel een stadsvernieuwingsplan als bedoeld in de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing;
g. rooilijn: de lijn die, behoudens toegelaten afwijkingen, bij het bouwen aan de wegzijde of aan de van de weg afgekeerde zijde niet mag worden overschreden;
h. standplaats: een kavel, bestemd voor het plaatsen van een woonwagen, waarop voorzieningen aanwezig zijn die op het leidingnet van de openbare nutsbedrijven, andere instellingen of van gemeenten kunnen worden aangesloten;
i. norm: een document, uitgegeven door een deskundig, onafhankelijk instituut, waarin wordt omschreven aan welke eisen een bouwmateriaal, bouwdeel of bouwconstructie moet voldoen dan wel waarin een omschrijving wordt gegeven van een keurings-, meet- of berekeningsmethode;
j. kwaliteitsverklaring: een schriftelijk bewijs, voorzien van een merkteken, aangewezen door Onze Minister, afgegeven door een deskundig, onafhankelijk instituut, aangewezen door Onze Minister, op grond waarvan een bouwmateriaal, bouwdeel of samenstel van bouwmaterialen of bouwdelen dan wel een bouwwijze, indien dat bouwmateriaal, bouwdeel of samenstel van bouwmaterialen of bouwdelen dan wel die bouwwijze bij het bouwen wordt toegepast, wordt geacht te voldoen aan krachtens deze wet aan dat bouwmateriaal, bouwdeel of samenstel van bouwmaterialen of bouwdelen dan wel die bouwwijze gestelde eisen;
k. aansluitvoorwaarden: door representatieve organisaties van openbare nutsbedrijven, van andere instellingen of van gemeenten opgestelde voorschriften waaraan moet worden voldaan, opdat een woning of gebouw kan worden aangesloten op het leidingnet van die bedrijven, instellingen of gemeenten;
l. Onze Minister: Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;
m. inspecteur: als zodanig bij besluit van Onze Minister aangewezen ambtenaar;
n. toegelaten instelling: instelling als bedoeld in artikel 70;
o. fonds: Centraal Fonds voor de Volkshuisvesting, bedoeld in artikel 71;
p. reguliere bouwvergunning: bouwvergunning als bedoeld in artikel 44, eerste lid;
q. lichte bouwvergunning: bouwvergunning als bedoeld in artikel 44, derde juncto eerste lid;
r. welstandscommissie: door de gemeenteraad benoemde onafhankelijke commissie die aan burgemeester en wethouders advies uitbrengt ten aanzien van de vraag of het uiterlijk of de plaatsing van een bouwwerk of standplaats, waarvoor een aanvraag om bouwvergunning is ingediend, in strijd is met redelijke eisen van welstand;
s. stadsbouwmeester: door de gemeenteraad benoemde onafhankelijke deskundige die aan burgemeester en wethouders advies uitbrengt ten aanzien van de vraag of het uiterlijk of de plaatsing van een bouwwerk of standplaats, waarvoor een aanvraag om bouwvergunning is ingediend, in strijd is met redelijke eisen van welstand.
2. Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt onder woning mede verstaan een afzonderlijk gedeelte van een gebouw, welk gedeelte tot bewoning is bestemd.

Hoofdstuk II. Voorschriften betreffende het bouwen, de staat van bestaande bouwwerken en standplaatsen, het gebruik, het slopen en de welstand

Afdeling 1. Voorschriften betreffende het bouwen en de staat van bestaande bouwwerken en standplaatsen

Artikel 1b Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip

Artikel 2
1.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden uit het oogpunt van veiligheid, gezondheid, bruikbaarheid, energiezuinigheid en milieu technische voorschriften gegeven omtrent het bouwen van woningen, woonketen, woonwagens en andere gebouwen.
2. Bij of krachtens de in het eerste lid bedoelde algemene maatregel van bestuur worden voorts uit het oogpunt van veiligheid, gezondheid en bruikbaarheid voorschriften gegeven omtrent de staat van bestaande woningen, woonketen en woonwagens en van bestaande andere gebouwen.
3. Bij of krachtens de in het eerste lid bedoelde algemene maatregel van bestuur worden voorts uit het oogpunt van veiligheid, gezondheid en milieu technische voorschriften gegeven omtrent het bouwen van bouwwerken, geen gebouw zijnde.
4. Bij of krachtens de in het eerste lid bedoelde algemene maatregel van bestuur worden voorts uit het oogpunt van veiligheid en gezondheid technische voorschriften gegeven omtrent de staat van bestaande bouwwerken, geen gebouw zijnde.
5. Bij of krachtens de in het eerste lid bedoelde algemene maatregel van bestuur worden voorts uit het oogpunt van veiligheid, gezondheid, bruikbaarheid en milieu technische voorschriften gegeven omtrent het bouwen van standplaatsen.
6. Bij of krachtens de in het eerste lid bedoelde algemene maatregel van bestuur worden voorts uit het oogpunt van veiligheid, gezondheid en bruikbaarheid technische voorschriften gegeven omtrent de staat van bestaande standplaatsen.
7. Aan een voorschrift omtrent het bouwen van een bouwwerk of standplaats kunnen voorschriften worden verbonden.
8. Een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid, treedt niet eerder in werking dan twee maanden na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin hij is geplaatst. Van de plaatsing wordt onverwijld mededeling gedaan aan beide kamers der Staten-Generaal.

Artikel 3
1.
Bij of krachtens de in artikel 2 bedoelde algemene maatregel van bestuur kan worden verwezen naar:
a. normen of delen van normen en
b. kwaliteitsverklaringen.
2. Bij de in artikel 2 bedoelde algemene maatregel van bestuur kan worden verwezen naar de voorschriften in de aansluitvoorwaarden, die van bouwtechnische aard zijn.

Artikel 4
De voorschriften die zijn gegeven bij of krachtens de in artikel 2 genoemde algemene maatregel van bestuur, zijn van toepassing op elk bouwen, en op de staat van elk bestaand bouwwerk en van elke bestaande standplaats. Indien een bouwwerk of standplaats gedeeltelijk wordt vernieuwd, veranderd of vergroot, zijn die voorschriften, voor zover zij betrekking hebben op het bouwen, slechts van toepassing op die vernieuwing, verandering of vergroting.

Artikel 5
Op de voordracht van Onze Minister wordt de in artikel 2 bedoelde algemene maatregel van bestuur in overeenstemming gebracht met technische voorschriften omtrent het bouwen, die zijn of worden gegeven bij of krachtens een andere algemene maatregel van bestuur.

Artikel 6
1.
Bij een voorschrift, gegeven bij of krachtens de in artikel 2 bedoelde algemene maatregel van bestuur, kan worden bepaald dat burgemeester en wethouders van dat voorschrift ontheffing kunnen verlenen tot een bij dat voorschrift aangegeven niveau.
2. Aan een ontheffing als bedoeld in het eerste lid, mogen slechts voorwaarden worden verbonden ter bescherming van de belangen, waarop de voorschriften, waarvan ontheffing wordt verleend, het oog hebben.

Artikel 7
1.
Onze Minister kan op verzoek van een aanvrager om bouwvergunning, bedoeld in artikel 40, eerste lid, in bijzondere gevallen ontheffing verlenen van de bij of krachtens de in artikel 2 bedoelde algemene maatregel van bestuur gegeven voorschriften, met dien verstande dat, indien het verzoek betrekking heeft op voorschriften als bedoeld in artikel 5, hij de ontheffing slechts kan verlenen in overeenstemming met het bij of krachtens de desbetreffende wet daartoe bevoegd verklaarde gezag.
2. Een verzoek als bedoeld in het eerste lid, gaat vergezeld van een verklaring van burgemeester en wethouders, dat zij de desbetreffende bouwvergunning zullen verlenen indien ontheffing als bedoeld in dat lid, is verkregen.
3. Aan een ontheffing als bedoeld in het eerste lid, mogen slechts voorwaarden worden verbonden ter bescherming van de belangen, waarop de voorschriften, waarvan ontheffing wordt verleend, het oog hebben.
4. Tegelijkertijd met of zo spoedig mogelijk na de bekendmaking van de beslissing op een verzoek als bedoeld in het eerste lid, doet Onze Minister daarvan mededeling aan burgemeester en wethouders.
5. De verlening van de verklaring, bedoeld in het tweede lid, en de verlening van ontheffing, bedoeld in het eerste lid, worden geacht voor de mogelijkheid van beroep ingevolge hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht deel uit te maken van de beschikking waarop zij betrekking hebben.
6. In een geval als bedoeld in het eerste lid, dat betrekking heeft op een tunnel in het trans-Europese wegennet die langer is dan 800 meter kan Onze Minister de in het eerste lid bedoelde ontheffing slechts verlenen indien dat noodzakelijk is voor het toepassen van innovatieve veiligheidsvoorzieningen of innovatieve veiligheidsprocedures, en de in artikel 14 van richtlijn nr. 2004/54/EG van het Europees parlement en de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 inzake minimumveiligheidseisen voor tunnels in het trans-Europese wegennet (PbEU L 167, gerectificeerd in PbEU L 201) voorgeschreven procedure is doorlopen en op grond daarvan van rechtswege toestemming is verkregen of door de Europese Commissie toestemming is verleend.
7. In een geval als bedoeld in het zesde lid verzoekt de tunnelbeheerder, bedoeld in de Wet aanvullende regels veiligheid wegtunnels, aan Onze Minister om de ontheffing als bedoeld in het eerste lid niet te verlenen dan nadat het voornemen daartoe aan de Europese Commissie is voorgelegd.
8. Het eerste, derde, vierde, zesde en zevende lid zijn van overeenkomstige toepassing indien voor het bouwen geen bouwvergunning is vereist.

Artikel 7a
1.
Onze Minister kan met het oog op duurzaam bouwen in een bijzonder geval burgemeester en wethouders toestaan door hun voorgestelde nadere voorschriften op te leggen ter voldoening aan de technische voorschriften, gegeven bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 2. Dit toestaan kan ook betrekking hebben op door burgemeester en wethouders voorgestelde, uit het oogpunt van milieu op te leggen technische voorschriften, waarin de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 2, niet voorziet. Een verzoek van burgemeester en wethouders geschiedt mede aan de hand van een door Onze Minister ter beschikking gesteld formulier. Het verzoek, alsmede de daarbij voorgestelde op te leggen voorschriften zijn gemotiveerd en van een toelichting voorzien.
2. Onze Minister beslist binnen acht weken na ontvangst van een verzoek om toestemming. Hij kan die beslissing eenmaal voor ten hoogste vier weken verdagen. Indien toestemming wordt verleend, geldt die toestemming alleen voor het geval waarop het verzoek betrekking heeft. Aan een toestemming kunnen voorschriften worden verbonden.
3. De toestemming op een verzoek van burgemeester en wethouders is van rechtswege verleend indien Onze Minister:
a. niet binnen acht weken na ontvangst van het verzoek een beslissing op dat verzoek heeft genomen,
b. niet binnen acht weken na ontvangst van het verzoek van burgemeester en wethouders heeft besloten de beslissing op dat verzoek te verdagen, of
c. niet binnen de termijn waarmee de beslissing op het verzoek van burgemeester en wethouders is verdaagd, een beslissing op dat verzoek heeft genomen.

Deze verlening van toestemming wordt aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht.

Afdeling 2. De bouwverordening

Artikel 7b [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Artikel 8
1. De gemeenteraad stelt een bouwverordening vast, die uitsluitend de voorschriften, bedoeld in het tweede tot en met zesde lid, bevat.
2. De bouwverordening bevat voorschriften omtrent:
a. het gebruik van woningen, woonketen, woonwagens, andere gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en standplaatsen, waaronder in elk geval zijn begrepen voorschriften met betrekking tot:
1°. de beschikbaarheid van drinkwater en energie;
2°. de reinheid;
3°. het bestrijden van schadelijk of hinderlijk gedierte;
4°. de brandveiligheid en
5°. voor zover het woningen, woonketen of woonwagens betreft, het aantal personen dat in een dergelijk gebouw mag wonen;
b. het gebruik van open erven en terreinen en de staat, waarin deze zich moeten bevinden;
c. het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem;
d. het slopen, waaronder begrepen voorschriften omtrent selectief slopen;
e. de vorm en de plaatsing van het kenteken van onbewoonbaarverklaring, bedoeld in artikel 31;
f. de wijze van inrichting en indiening van een aanvraag om woonvergunning als bedoeld in artikel 60 en van een aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 61;
g. de overdraagbaarheid van een bouwvergunning als bedoeld in artikel 40, eerste lid, een woonvergunning als bedoeld in artikel 60 en een vergunning als bedoeld in artikel 61;
h. het uitvoeren van bouw- of sloopwerkzaamheden, waaronder in elk geval zijn begrepen voorschriften met betrekking tot:
1°. de veiligheid op de bouw- of sloopplaats;
2°. de tijdstippen waarop met het bouwen of het slopen mag worden en wordt begonnen;
3°. de tijdstippen waarop met het bouwen of het slopen moet zijn begonnen en het bouwen of het slopen moet zijn beëindigd, alsmede de wijze van gereedmelding van het bouwen of het slopen;
4°. de termijn gedurende welke het bouwen of het slopen ten hoogste mag stilliggen;
5°. bescheiden die op de bouw- of sloopplaats aanwezig moeten zijn;
6°. opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en onderzoekingen, die met betrekking tot het bouwen of het slopen noodzakelijk zijn en
7°. het tijdstip en de wijze van overleggen van kwaliteitsverklaringen en van nadere gegevens met betrekking tot de installaties voor drinkwater en energie, en
i. het stilleggen van bouwwerkzaamheden, bedoeld in artikel 100, derde lid, waaronder in elk geval is begrepen het voorschrift dat de bouwwerkzaamheden kunnen worden stilgelegd, indien blijkt dat niet is voldaan aan het voorschrift, bedoeld in het derde lid, onderdeel e, in verbinding met het vierde lid, of aan een ingevolge artikel 56 aan de verlening van de bouwvergunning verbonden voorwaarde.
3. De voorschriften, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, hebben uitsluitend betrekking op bouwwerken:
a. waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven,
b. voor het bouwen waarvan een reguliere bouwvergunning vereist is, en
c.
1°. die de grond raken, of
2°. ten aanzien waarvan het bestaande, niet-wederrechtelijke gebruik niet wordt gehandhaafd.
4. De voorschriften, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, hebben in elk geval betrekking op:
a. het verrichten van onderzoek naar aard en mate van verontreiniging van de bodem;
b. aard en omvang van het onderzoek, en
c. inrichting van het op te stellen onderzoeksrapport.
5. De bouwverordening kan voorschriften bevatten van stedenbouwkundige aard. Tot die voorschriften kunnen behoren voorschriften met betrekking tot:
a. de wegen waaraan mag worden gebouwd;
b. de rooilijnen, en
c. de plaatsing van bouwwerken ten opzichte van elkaar, mede uit het oogpunt van bereikbaarheid van die bouwwerken.
6. De bouwverordening bevat tevens voorschriften omtrent de samenstelling, inrichting en werkwijze van de welstandscommissie. Zij kan bepalen dat er in plaats van een welstandscommissie een stadsbouwmeester wordt aangesteld, in welk geval de bouwverordening voorschriften bevat over de rol en de functie van de stadsbouwmeester. Voorts kan de bouwverordening nadere voorschriften bevatten omtrent de verslagen, bedoeld in de artikelen 12b, derde lid, en 46, achtste lid.
7. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat in de bouwverordening voorschriften worden gegeven omtrent andere onderwerpen dan die, genoemd in het tweede, vijfde en zesde lid.
8. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen ter bevordering van eenheid in de bouwverordeningen regelen worden gegeven omtrent de inhoud van de voorschriften, bedoeld in het tweede tot en met vierde, zesde en zevende lid.
9. De gemeenteraad brengt binnen een jaar na het in werking treden van de krachtens het achtste lid en de krachtens artikel 120 gegeven voorschriften de bouwverordening met die voorschriften in overeenstemming. Zolang de bouwverordening niet met die voorschriften in overeenstemming is gebracht, gelden die voorschriften rechtstreeks.

Artikel 9
1. Voor zover de voorschriften van de bouwverordening niet overeenstemmen met de voorschriften van het desbetreffende bestemmingsplan blijven eerstbedoelde voorschriften buiten toepassing.
2. De voorschriften van de bouwverordening blijven van toepassing indien het desbetreffende bestemmingsplan geen voorschriften bevat, die hetzelfde onderwerp regelen, tenzij het desbetreffende bestemmingsplan anders bepaalt.

Artikel 10
De in de bouwverordening vervatte voorschriften omtrent de rooilijnen en de plaatsing van bouwwerken ten opzichte van elkaar zijn niet van toepassing op het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen van een bouwwerk, voor zover het te vernieuwen of veranderen gedeelte van dat bouwwerk overeenkomstig het destijds geldende recht in afwijking van die voorschriften tot stand is gekomen.

Artikel 11
1.
Bij een in de bouwverordening gegeven voorschrift kan worden bepaald, dat burgemeester en wethouders bevoegd zijn van dat voorschrift ontheffing te verlenen, tenzij het een voorschrift betreft waarmee de bouwverordening krachtens artikel 8, negende lid, in overeenstemming is gebracht.
2. Bij een in de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 8, achtste lid, gegeven voorschrift kan worden bepaald, dat burgemeester en wethouders bevoegd zijn ontheffing te verlenen van dat voorschrift.
3. Aan een ontheffing als bedoeld in het eerste of tweede lid, mogen slechts voorwaarden worden verbonden ter bescherming van de belangen, waarop de voorschriften, waarvan ontheffing wordt verleend, het oog hebben.

Afdeling 3. De welstand

Artikel 12
1. Het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk of standplaats, zowel op zichzelf als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, mogen niet in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onderdeel a.
2. Het eerste lid is niet van toepassing:
a. indien bij besluit van de gemeenteraad is bepaald dat voor het gebied waarin het bouwwerk of de standplaats is of wordt gebouwd geen redelijke eisen van welstand gelden;
b. indien bij besluit van de gemeenteraad is bepaald dat voor de categorie bouwwerken of standplaatsen waartoe het bouwwerk of de standplaats behoort geen redelijke eisen van welstand gelden;
c. op bouwwerken en standplaatsen waarop artikel 43, eerste lid, van toepassing is, of
d. op bouwwerken als bedoeld in artikel 45, eerste lid.
3. Voor zover de toepassing van de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onderdeel a, leidt tot strijd met het bestemmingsplan of met in de bouwverordening opgenomen voorschriften van stedenbouwkundige aard, blijven die criteria buiten toepassing.
4. De gemeenteraad betrekt de ingezetenen van de gemeente en belanghebbenden bij de voorbereiding van besluiten als bedoeld in het tweede lid, onderdelen a en b, op de wijze voorzien in de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet vastgestelde verordening.

Artikel 12a
1.
De gemeenteraad stelt een welstandsnota vast, inhoudende beleidsregels waarin in ieder geval de criteria zijn opgenomen die burgemeester en wethouders toepassen bij hun beoordeling:
a. of het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk of standplaats, waarop de aanvraag om bouwvergunning betrekking heeft, in strijd zijn met redelijke eisen van welstand;
b. of het uiterlijk van een bouwwerk of standplaats, zowel op zichzelf als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in ernstige mate in strijd is met redelijke eisen van welstand.
2. Artikel 12, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op de vaststelling of wijziging van de welstandsnota.
3. De criteria, bedoeld in het eerste lid, zijn zoveel mogelijk toegesneden op de onderscheidene categorieën bouwwerken en standplaatsen. De criteria kunnen verschillen naargelang de plaats waar een bouwwerk of standplaats is gelegen.
4. Ter bevordering van de eenheid in welstandsnota's kunnen bij algemene maatregel van bestuur voorschriften worden gegeven omtrent categorieën van bouwwerken en standplaatsen als bedoeld in het derde lid en de daarop toe te passen criteria.
5. Een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het vierde lid treedt niet eerder in werking dan twee maanden na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin hij is geplaatst. Van de plaatsing wordt onverwijld mededeling gedaan aan de beide kamers der Staten-Generaal.

Artikel 12b
1. De welstandscommissie dan wel de stadsbouwmeester baseert haar onderscheidenlijk zijn advies slechts op de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onderdeel a, doch betrekt daarbij, indien van toepassing, het bepaalde in artikel 12, derde lid. De adviezen van de welstandscommissie dan wel de stadsbouwmeester zijn openbaar. Een advies van de welstandscommissie dan wel de stadsbouwmeester inhoudende dat een bouwplan in strijd is met redelijke eisen van welstand, wordt schriftelijk uitgebracht en deugdelijk gemotiveerd.
2. Vergaderingen van de welstandscommissie zijn openbaar. Een vergadering of gedeelte daarvan is niet openbaar in gevallen als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de Wet openbaarheid van bestuur en in gevallen waarin het belang van openbaarheid niet opweegt tegen de in artikel 10, tweede lid, van die wet genoemde belangen.
3. De welstandscommissie dan wel de stadsbouwmeester legt de gemeenteraad eenmaal per jaar een verslag voor van de door haar onderscheidenlijk hem verrichte werkzaamheden. In het verslag wordt ten minste uiteengezet op welke wijze zij onderscheidenlijk hij toepassing heeft gegeven aan de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onderdeel a.
4. Een voorzitter of ander lid van een welstandscommissie kan voor een termijn van ten hoogste drie jaar worden benoemd in een welstandscommissie die in de betreffende gemeente werkzaam is. Zij kunnen eenmaal voor een termijn van ten hoogste drie jaar worden herbenoemd in dezelfde commissie. De eerste en tweede volzin zijn van overeenkomstige toepassing op de stadsbouwmeester.

Artikel 12c
Burgemeester en wethouders leggen de gemeenteraad eenmaal per jaar een verslag voor waarin zij ten minste uiteenzetten:
a. op welke wijze zij zijn omgegaan met de adviezen van de welstandscommissie dan wel de stadsbouwmeester;
b. in welke categorieën van gevallen zij de aanvraag voor een lichte bouwvergunning niet aan de welstandscommissie dan wel de stadsbouwmeester hebben voorgelegd en op welke wijze zij in die gevallen zelf toepassing hebben gegeven aan de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onderdeel a;
c. in welke categorieën van gevallen:
1°. zij tot aanschrijving op grond van artikel 19 zijn overgegaan en daarbij de keuze hebben gelaten tussen ofwel het uitvoeren van de aanschrijving, ofwel het slopen van het bouwwerk of de standplaats binnen de door hen te bepalen termijn, en
2°. zij bij of na een aanschrijving op grond van artikel 19 zijn overgegaan tot toepassing van bestuursdwang op grond van artikel 26.

Hoofdstuk III. Bijzondere maatregelen

Afdeling 1. Toezicht op bouwwerken, open erven en terreinen

Artikel 13
Burgemeester en wethouders gaan na:
a. welke woningen, woonketen en woonwagens ongeschikt zijn voor bewoning;
b. welke woningen, woonketen en woonwagens, ofschoon niet ongeschikt voor bewoning, voorzieningen als bedoeld in artikel 14, eerste lid, behoeven;
c. welke woningen, woonketen en woonwagens worden gebruikt op een wijze, die niet in overeenstemming is met de desbetreffende voorschriften van de bouwverordening;
d. welke gebouwen, geen woningen, woonketen of woonwagens zijnde, voorzieningen als bedoeld in artikel 17, eerste lid, behoeven dan wel worden gebruikt op een wijze, die niet in overeenstemming is met de desbetreffende voorschriften van de bouwverordening;
e. welke bouwwerken, geen gebouwen zijnde, of standplaatsen voorzieningen als bedoeld in artikel 18, eerste lid, behoeven dan wel worden gebruikt op een wijze, die niet in overeenstemming is met de desbetreffende voorschriften van de bouwverordening, en
f. welke open erven en terreinen in een staat verkeren, die niet voldoet aan de desbetreffende voorschriften van de bouwverordening dan wel worden gebruikt op een wijze, die niet in overeenstemming is met de desbetreffende voorschriften van de bouwverordening.

Afdeling 2. Aanschrijving tot het treffen van voorzieningen en tot het aanbrengen van verbeteringen

Artikel 14
1.
Indien een woning, woonkeet of woonwagen wegens strijd met de in artikel 2, eerste lid, bedoelde voorschriften of uit anderen hoofde noodzakelijk voorzieningen behoeft dan wel wegens strijd met de in artikel 2, tweede lid, bedoelde voorschriften voorzieningen behoeft, schrijven burgemeester en wethouders degene, die als eigenaar of uit anderen hoofde tot het treffen van die voorzieningen bevoegd is, aan binnen een door hen te bepalen termijn de door hen aan te geven voorzieningen te treffen.
2. Burgemeester en wethouders kunnen in de aanschrijving, bedoeld in het eerste lid, bepalen dat aan de aanschrijving in fasen binnen door hen te bepalen afzonderlijke termijnen mag worden voldaan.
3. Indien een woning, woonkeet of woonwagen wordt bewoond op een wijze, die niet in overeenstemming is met de desbetreffende voorschriften van de bouwverordening, schrijven burgemeester en wethouders de hoofdbewoner of elke afzonderlijke bewoner aan binnen een door hen te bepalen termijn de bewoning in overeenstemming met die voorschriften te brengen.

Artikel 15
1. Indien een woning of woongebouw uit het oogpunt van woongerief niet aan de eisen des tijds voldoet, doch door het aanbrengen van verbeteringen alsnog geheel of ten dele aan die eisen kan worden aangepast, kunnen burgemeester en wethouders degene, die als eigenaar of uit anderen hoofde tot het aanbrengen van die verbeteringen bevoegd is, aanschrijven binnen een door hen te bepalen termijn de door hen aan te geven verbeteringen aan te brengen.
2. De verbeteringen waartoe kan worden aangeschreven, zijn:
a. het maken van een binnen de woning gelegen toiletruimte;
b. het maken van een binnen de woning gelegen badruimte;
c. het maken van een binnen de woning gelegen ruimte, waarin een opstelplaats voor een aanrecht en voor een kooktoestel zijn gesitueerd;
d. het thermisch isoleren van de uitwendige scheidingsconstructies;
e. het thermisch isoleren van de constructie die de scheiding vormt met de kruipruimte, en
f. het ten behoeve van de verwarmingsinstallatie plaatsen van een verwarmingsketel met een opwekkingsrendement van ten minste 80%, indien de bestaande verwarmingsketel ten minste tien jaren oud is.
3. De aanschrijving omvat, indien nodig, mede van rechtswege de als gevolg van het aanbrengen van de in het tweede lid, onder a tot en met c, genoemde verbeteringen noodzakelijke wijziging van de indeling of van de inwendige constructie van de woning.
4. In de aanschrijving kan worden bepaald dat daaraan in fasen mag worden voldaan.

Artikel 15a
1. Indien een gehandicapte bij het normale gebruik van de door hem bewoonde woning ergonomische beperkingen ondervindt, die door het verrichten van bouwkundige of woontechnische ingrepen in of aan de woning kunnen worden opgeheven of verminderd, kunnen burgemeester en wethouders degene, die als eigenaar of uit anderen hoofde tot het verrichten van die ingrepen bevoegd is, aanschrijven binnen een door hen te bepalen termijn de door hen aan te geven ingrepen te verrichten.
2. Burgemeester en wethouders vaardigen een aanschrijving als bedoeld in het eerste lid slechts uit voor zover voor het verrichten van die ingrepen geldelijke steun kan worden verleend.
3. Met betrekking tot de in dit artikel bedoelde aanschrijving is artikel 15, derde en vierde lid, van overeenkomstige toepassing.
4. Onder gehandicapte in het eerste lid wordt verstaan een persoon die ten gevolge van ziekte of gebrek aantoonbare beperkingen ondervindt.

Artikel 16
1. Behoudens in geval van gevaar of ernstige hinder schrijven burgemeester en wethouders, indien zij voornemens zijn een aanschrijving als bedoeld in artikel 14, eerste lid, uit te vaardigen en de woning naar hun oordeel tevens verbeteringen behoeft, als bedoeld in artikel 15, waartoe kan worden aangeschreven, of ingrepen behoeft, als bedoeld in artikel 15a , degene, die als eigenaar of uit anderen hoofde tot het treffen van die voorzieningen of het aanbrengen van de verbeteringen of het verrichten van de ingrepen bevoegd is, aan binnen een door hen te bepalen termijn de door hen aangegeven voorzieningen te treffen en de door hen aan te geven verbeteringen aan te brengen of de door hen aan te geven ingrepen te verrichten.
2. Indien burgemeester en wethouders voornemens zijn een aanschrijving als bedoeld in artikel 15 uit te vaardigen en de woning naar hun oordeel tevens voorzieningen als bedoeld in artikel 14, eerste lid, of ingrepen als bedoeld in artikel 15a behoeft, schrijven zij degene, die als eigenaar of uit anderen hoofde tot het aanbrengen van de verbeteringen en het treffen van de voorzieningen of het verrichten van de ingrepen bevoegd is, aan binnen een door hen te bepalen termijn de door hen aan te geven verbeteringen aan te brengen en de door hen aan te geven voorzieningen te treffen of door hen aan te geven ingrepen te verrichten.
3. Burgemeester en wethouders kunnen in de aanschrijving, bedoeld in het eerste of tweede lid, bepalen dat aan de aanschrijving in fasen binnen door hen te bepalen afzonderlijke termijnen mag worden voldaan.

Artikel 16a
1.
Indien een gebouw, een open erf of een terrein op grond van artikel 97, dan wel een gebouw op grond van artikel 174a van de Gemeentewet, een verordening als bedoeld in artikel 174 van die wet of artikel 13b van de Opiumwet is gesloten, kunnen burgemeester en wethouders degene die als eigenaar of uit anderen hoofde bevoegd is tot het in gebruik geven van het gebouw, aanschrijven om naar keuze van burgemeester en wethouders:
a. het gebouw binnen een door hen te bepalen termijn in gebruik te geven aan een persoon, niet zijnde degene die door de sluiting werd gedwongen het gebruik van het gebouw te staken, of
b. het gebouw binnen een door hen te bepalen termijn in beheer te geven aan een persoon die uit hoofde van beroep of bedrijf op het terrein van de huisvesting werkzaam is, of aan een instelling die op dat terrein werkzaam is.
2. Burgemeester en wethouders kunnen in de aanschrijving:
a. personen of instellingen als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, noemen uit wie, onderscheidenlijk waaruit degene die wordt aangeschreven, een keuze moet maken, of, indien dit naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet mogelijk is, een persoon of instelling als hier bedoeld noemen aan wie het gebouw in gebruik dan wel in beheer moet worden gegeven,
b. indien het gebouw, al dan niet met het daarbij behorende erf, noodzakelijke voorzieningen behoeft om weer op redelijke wijze tot bewoning of gebruik te kunnen dienen, degene die als eigenaar of uit anderen hoofde tot het treffen van die voorzieningen bevoegd is, ertoe verplichten om binnen een door hen te bepalen termijn de door hen aan te geven voorzieningen te treffen, en
c. zo nodig, andere voorwaarden aan de uitvoering van de aanschrijving stellen.
3. De uitvoering van de aanschrijving geschiedt in overeenstemming met burgemeester en wethouders. Burgemeester en wethouders kunnen optreden tegen hetgeen in strijd met de aanschrijving is gedaan of nagelaten door zelf de aanschrijving uit te voeren of in plaats daarvan degene die is aangeschreven, een last onder dwangsom op te leggen. Op het besluit tot optreden is afdeling 5.3, onderscheidenlijk afdeling 5.4, van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing.
4. Indien het gebouw in beheer wordt gegeven aan een persoon of instelling als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, stellen burgemeester en wethouders een vergoeding voor het beheer vast. De desbetreffende persoon of instelling stelt, na overleg met degene die is aangeschreven, de huurprijs van het gebouw vast, int de vastgestelde huurprijs en stelt deze, verminderd met de vergoeding voor het beheer, ter beschikking van degene die is aangeschreven. De huurprijs wordt vastgesteld op een bedrag dat in het economisch verkeer redelijk is.
5. Indien de persoon, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, dan wel de persoon of instelling, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, het gebruik, onderscheidenlijk het beheer van het gebouw heeft gestaakt, deelt de persoon dan wel de instelling dit binnen veertien dagen na het staken daarvan mee aan burgemeester en wethouders. Na ontvangst van de mededeling vindt, zo nodig, wederom toepassing van het eerste lid plaats.
6. Onder beheer wordt in dit artikel verstaan het in gebruik geven van het gebouw en het verrichten van al die handelingen met betrekking tot het in gebruik gegeven gebouw die volgens gemeen recht tot de verantwoordelijkheid van een eigenaar behoren.

Artikel 17
1. Indien een gebouw, niet zijnde een woning, woonkeet of woonwagen, wegens strijd met de in artikel 2, eerste lid, bedoelde voorschriften of uit anderen hoofde noodzakelijk voorzieningen behoeft dan wel wegens strijd met de in artikel 2, tweede lid, bedoelde voorschriften voorzieningen behoeft, kunnen burgemeester en wethouders degene, die als eigenaar of uit anderen hoofde tot het treffen van die voorzieningen bevoegd is, aanschrijven binnen een door hen te bepalen termijn de door hen aan te geven voorzieningen te treffen.
2. Burgemeester en wethouders kunnen in de aanschrijving, bedoeld in het eerste lid, bepalen dat aan de aanschrijving in fasen binnen door hen te bepalen afzonderlijke termijnen mag worden voldaan.
3. Indien een gebouw als bedoeld in het eerste lid, wordt gebruikt op een wijze, die niet in overeenstemming is met de desbetreffende voorschriften van de bouwverordening, kunnen burgemeester en wethouders de hoofdgebruiker of elke afzonderlijke gebruiker aanschrijven binnen een door hen te bepalen termijn het gebruik in overeenstemming met die voorschriften te brengen.
4. Indien de aanschrijving, bedoeld in het derde lid, geschiedt met het oog op gevaar of ernstige hinder, kunnen burgemeester en wethouders in de aanschrijving tevens bepalen dat gedurende de in dat lid bedoelde termijn het gebruik van het gebouw moet worden gestaakt.

Artikel 17a
1. Indien een gebouw, niet zijnde een woning, woongebouw, woonwagen of woonkeet, uit het oogpunt van energiezuinigheid niet aan de eisen des tijds voldoet, doch door het aanbrengen van verbeteringen alsnog geheel of ten dele aan die eisen kan worden aangepast, kunnen burgemeester en wethouders degene, die als eigenaar of uit anderen hoofde tot het aanbrengen van die verbeteringen bevoegd is, aanschrijven binnen een door hen te bepalen termijn de door hen aan te geven verbeteringen aan te brengen.
2. De verbeteringen waartoe kan worden aangeschreven, zijn:
a. het thermisch isoleren van de uitwendige scheidingsconstructies;
b. het thermisch isoleren van de constructie die de scheiding vormt met de kruipruimte, en
c. het ten behoeve van de verwarmingsinstallatie plaatsen van een verwarmingsketel met een opwekkingsrendement van ten minste 80%, indien de bestaande verwarmingsketel ten minste tien jaren oud is.
3. In de aanschrijving kan worden bepaald dat daaraan in fasen mag worden voldaan.

Artikel 17b
Artikel 16 is van overeenkomstige toepassing op een gebouw, niet zijnde een woning, woongebouw, woonwagen of woonkeet.

Artikel 18
1. Indien een bouwwerk, niet zijnde een gebouw, of een standplaats wegens strijd met de in artikel 2, derde lid, onderdeel a , respectievelijk artikel 2, vierde lid, onderdeel a , bedoelde voorschriften of uit anderen hoofde noodzakelijk voorzieningen behoeft dan wel wegens strijd met de in artikel 2, derde lid, onderdeel b , respectievelijk artikel 2, vierde lid, onderdeel b , bedoelde voorschriften voorzieningen behoeft, kunnen burgemeester en wethouders degene, die als eigenaar of uit anderen hoofde tot het treffen van die voorzieningen bevoegd is, aanschrijven binnen een door hen te bepalen termijn de door hen aan te geven voorzieningen te treffen.
2. Indien een bouwwerk of standplaats als bedoeld in het eerste lid, wordt gebruikt op een wijze, die niet in overeenstemming is met de desbetreffende voorschriften van de bouwverordening, kunnen burgemeester en wethouders de hoofdgebruiker of elke afzonderlijke gebruiker aanschrijven binnen een door hen te bepalen termijn het gebruik in overeenstemming met die voorschriften te brengen.

Artikel 19
Indien het uiterlijk van een bouwwerk of standplaats, niet zijnde een bouwwerk als bedoeld in artikel 45, eerste lid, in ernstige mate in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onderdeel b, kunnen burgemeester en wethouders degene, die als eigenaar of uit anderen hoofde tot het opheffen van die strijdigheid bevoegd is, aanschrijven binnen een door hen te bepalen termijn de door hen aan te geven daartoe strekkende voorzieningen te treffen.

Artikel 20
1. Indien de staat van een open erf of terrein niet voldoet aan de desbetreffende voorschriften van de bouwverordening, kunnen burgemeester en wethouders degene, die als eigenaar of uit anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, aanschrijven binnen een door hen te bepalen termijn de staat in overeenstemming met die voorschriften te brengen.
2. Indien een open erf of terrein als bedoeld in het eerste lid, wordt gebruikt op een wijze, die niet in overeenstemming is met de desbetreffende voorschriften van de bouwverordening, kunnen burgemeester en wethouders de hoofdgebruiker of elke afzonderlijke gebruiker aanschrijven binnen een door hen te bepalen termijn het gebruik in overeenstemming met die voorschriften te brengen.

Artikel 21
1. Degene, tot wie een aanschrijving is gericht, of zijn rechtsopvolger, is verplicht daaraan te voldoen.
2. Indien burgemeester en wethouders in de aanschrijving vermelden, dat deze verband houdt met gevaar of ernstige hinder dan wel met een sluiting als bedoeld in artikel 16a, moet degene, tot wie de aanschrijving is gericht, of zijn rechtsopvolger, ook al is die aanschrijving nog niet onherroepelijk, bij voorraad aan die aanschrijving voldoen.
3. Indien tegen een aanschrijving als bedoeld in het tweede lid, een bezwaarschrift is ingediend of beroep is ingesteld en het bezwaarschrift gegrond is verklaard of de beslissing op het beroep inhoudt dat ten onrechte is aangeschreven, vergoedt de gemeente de schade die het gevolg is van het bij voorraad voldoen aan de aanschrijving.

Artikel 22
1. In afwijking van artikel 203 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, is elke bewoner van een woning of een gebruiker van een gebouw verplicht het aanbrengen of verrichten van de in een aanschrijving als bedoeld in artikel 15, eerste lid, 15a, eerste lid, 16, 17a of 17b genoemde verbeteringen of ingrepen door of vanwege degene, tot wie de aanschrijving is gericht of diens rechtsopvolger te gedogen.
2. Ingeval enige bewoner van een woning niet voldoet aan de in het eerste lid bedoelde gedoogplicht, zijn de door de burgemeester en wethouders aan te wijzen personen bevoegd zonder toestemming van die bewoner de woning binnen te treden ten einde de in de aanschrijving aangegeven verbeteringen aan te brengen, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is.
3. Burgemeester en wethouders geven slechts toepassing aan het bepaalde in het tweede lid op verzoek van en na overleg met degene tot wie de in het eerste lid bedoelde aanschrijving is gericht of diens rechtsopvolger.
4. Een machtiging tot binnentreden wordt niet gegeven dan nadat burgemeester en wethouders de in het tweede lid bedoelde bewoner schriftelijk hebben gewaarschuwd.
5. Indien ten behoeve van een woning waarop een aanschrijving als bedoeld in het eerste lid, rust, wijzigingen moeten worden aangebracht in een andere woning of ander gebouw, is de eigenaar van die andere woning of dat andere gebouw of diens rechtsopvolger alsmede iedere bewoner van die andere woning of iedere gebruiker van dat andere gebouw, na schriftelijke aanzegging door burgemeester en wethouders, verplicht het aanbrengen van die wijzigingen door of vanwege degene, tot wie de aanschrijving is gericht, of zijn rechtsopvolger te gedogen. Het tweede tot en met vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 23
1. Indien burgemeester en wethouders van oordeel zijn dat de kosten, verbonden aan de uitvoering van een aanschrijving, niet in redelijke verhouding staan tot de daarvan te verwachten opbrengsten en de aanschrijving betrekking heeft op een woning, woonkeet of woonwagen, laten zij bij die aanschrijving de keuze tussen enerzijds het uitvoeren van de aanschrijving en anderzijds het binnen een door hen in de aanschrijving te bepalen termijn staken of doen staken van de bewoning.
2. Burgemeester en wethouders zijn niet verplicht de in het eerste lid genoemde keuze te laten ingeval de woning of woonwagen behoort tot een in het belang van een evenwichtige en rechtvaardige verdeling van schaarse woonruimte bij verordening aangewezen categorie van woningen of woonwagens.
3. Indien burgemeester en wethouders van oordeel zijn dat de kosten, verbonden aan de uitvoering van een aanschrijving, niet in redelijke verhouding staan tot de daarvan te verwachten opbrengsten en de aanschrijving betrekking heeft op een niet tot bewoning bestemd gebouw, een bouwwerk, niet zijnde een gebouw, dan wel op een standplaats, laten zij bij die aanschrijving de keuze tussen enerzijds het treffen van de voorzieningen en anderzijds het binnen een door hen in de aanschrijving te bepalen termijn staken of doen staken van het gebruik, in verband waarmede de voorzieningen worden gelast.
4. In afwijking van het eerste en derde lid kunnen burgemeester en wethouders, indien zij van oordeel zijn dat de kosten, verbonden aan de uitvoering van een aanschrijving, niet in redelijke verhouding staan tot de daarvan te verwachten opbrengsten en de aanschrijving geschiedt met het oog op ernstige strijdigheid met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onderdeel b, bij die aanschrijving de keuze laten tussen enerzijds het uitvoeren van de aanschrijving en anderzijds het binnen een door hen in de aanschrijving te bepalen termijn slopen van het bouwwerk of de standplaats, met dien verstande dat indien het slopen krachtens enig wettelijk voorschrift verboden is, zij slechts aanschrijven tot het treffen van de voorzieningen.

Artikel 24
Indien burgemeester en wethouders van oordeel zijn dat de kosten, verbonden aan de uitvoering van een aanschrijving als bedoeld in artikel 23, eerste of derde lid, niet in redelijke verhouding staan tot de daarvan te verwachten opbrengsten en de aanschrijving geschiedt met het oog op gevaar of ernstige hinder dan wel het een aanschrijving als bedoeld in artikel 16a betreft, kunnen zij, in plaats van de in die leden bedoelde keuze, de keuze laten tussen het treffen van de voorzieningen en het binnen een door hen in de aanschrijving te bepalen termijn slopen van het bouwwerk of de standplaats, met dien verstande dat indien het slopen ingevolge enig wettelijk voorschrift verboden is, zij de keuze, bedoeld in die leden, laten.

Artikel 25
Behoudens in geval van gevaar of ernstige hinder dan wel het een aanschrijving als bedoeld in artikel 16a betreft vaardigen burgemeester en wethouders gedurende drie jaren na de bekendmaking van een aanschrijving tot het treffen van voorzieningen of het aanbrengen van verbeteringen met betrekking tot hetzelfde bouwwerk of dezelfde standplaats niet wederom een dergelijke aanschrijving uit.

Artikel 26
1. Spoedeisende gevallen uitgezonderd gaan burgemeester en wethouders niet over tot toepassing van bestuursdwang in geval van strijd met:
a. een bij of krachtens de in artikel 2 bedoelde algemene maatregel van bestuur gegeven voorschrift omtrent bouwwerken of standplaatsen;
b. een in de bouwverordening gegeven voorschrift omtrent bestaande bouwwerken, standplaatsen of open erven en terreinen, of
c. redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onderdeel b,
dan nadat zij de aanschrijving hebben uitgevaardigd, de termijn, bedoeld in artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht is verstreken of, indien gedurende die termijn op grond van artikel 8:81 van die wet een verzoek om voorlopige voorziening is gedaan, dat verzoek is afgewezen, en de in die aanschrijving bepaalde termijn is verstreken.
2. Burgemeester en wethouders kunnen de beschikking tot toepassing van bestuursdwang gelijktijdig met de desbetreffende aanschrijving bekendmaken. Deze beschikking tot toepassing van bestuursdwang wordt geacht voor de mogelijkheid van beroep ingevolge hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht deel uit te maken van de beschikking waarop zij betrekking heeft.
3. Ingeval burgemeester en wethouders een aanschrijving met toepassing van artikel 23, eerste of derde lid, of artikel 24 hebben uitgevaardigd, is het eerste lid van toepassing, met dien verstande dat zij, indien niet is voldaan aan enig in de aanschrijving genoemd alternatief, tot één van die alternatieven kunnen dwingen.
4. Voor de toepassing van de artikelen 5:25 en 5:26 van de Algemene wet bestuursrecht wordt onder «overtreder» mede begrepen de rechtsopvolger van degene, tot wie een aanschrijving is gericht.

Artikel 27
1. De inspecteur kan bij met redenen omkleed voorstel burgemeester en wethouders verzoeken een aanschrijving met betrekking tot een woning, woonkeet, woonwagen of standplaats uit te vaardigen.
2. Burgemeester en wethouders nemen naar aanleiding van een voorstel als bedoeld in het eerste lid, binnen vier weken na de dag, waarop zij dat voorstel hebben ontvangen, een beslissing.

Artikel 28
1. Burgemeester en wethouders doen mededeling van een aanschrijving als bedoeld in de artikelen 14, eerste lid, 15, 15a , 16, 16a 17, eerste lid, 17a, eerste lid, 17b, 18, eerste lid, voor zover deze betrekking heeft op een standplaats, of 19, door toezending van een afschrift aan de hoofdbewoner of iedere afzonderlijke bewoner van de woning, woonkeet of woonwagen dan wel hoofdgebruiker of iedere afzonderlijke gebruiker van het gebouw, niet zijnde een woning, woonkeet of woonwagen, of van de standplaats, alsmede aan een ieder die als beslaglegger of hypotheekhouder is ingeschreven in de openbare registers, bedoeld in afdeling 3.1.2 van het Burgerlijk Wetboek.
2. Toezending van het in het eerste lid bedoelde afschrift aan een beslaglegger of hypotheekhouder geschiedt aan de bij het beslag, onderscheidenlijk de inschrijving van de hypotheek gekozen woonplaats.
3. Burgemeester en wethouders doen voorts zo spoedig mogelijk een aanschrijving als bedoeld in het eerste lid, inschrijven in de openbare registers, bedoeld in afdeling 3.1.2 van het Burgerlijk Wetboek. Artikel 24, eerste lid, van Boek 3 van dat wetboek is niet van toepassing.
4. Zodra aan een aanschrijving als bedoeld in het eerste lid, is voldaan, deze met toepassing van bestuursdwang ten uitvoer is gelegd en de daaraan verbonden kosten zijn voldaan, dan wel deze aanschrijving is ingetrokken, doen burgemeester en wethouders daarvan schriftelijk binnen twee weken mededeling aan degene, tot wie de aanschrijving was gericht, alsmede aan de overige in dat lid bedoelde personen.
5. Burgemeester en wethouders doen voorts een mededeling als bedoeld in het vierde lid, zo spoedig mogelijk inschrijven in de openbare registers, bedoeld in afdeling 3.1.2 van het Burgerlijk Wetboek.
6. Het vierde en vijfde lid zijn eveneens van toepassing indien een aanschrijving als bedoeld in het eerste lid, vervalt op een andere wijze dan genoemd in het vierde lid, of indien burgemeester en wethouders ingevolge artikel 29, tweede lid, besluiten tot onbewoonbaarverklaring van de woning of woonwagen.

Afdeling 3. Onbewoonbaarverklaring

Artikel 29
1.
Indien een woning of woonwagen ongeschikt is voor bewoning en door het treffen van voorzieningen als bedoeld in de artikelen 14, eerste lid, of 16, niet alsnog in bewoonbare staat kan worden gebracht, wordt die woning of woonwagen door burgemeester en wethouders, de inspecteur gehoord, onbewoonbaar verklaard.
2. Burgemeester en wethouders besluiten eveneens tot onbewoonbaarverklaring van een woning of woonwagen, indien aan een aanschrijving als bedoeld in de artikelen 14, eerste lid, of 16, niet is voldaan, de woning of woonwagen ongeschikt is voor bewoning en geen bestuursdwang wordt toegepast.
3. Een beslissing tot onbewoonbaarverklaring omvat tevens een bevel tot ontruiming van de woning of woonwagen binnen een bij die beslissing te bepalen termijn van ten hoogste zes maanden na de dag, waarop de beslissing tot onbewoonbaarverklaring van kracht is geworden.
4. Burgemeester en wethouders kunnen, in afwijking van het derde lid, een langere termijn stellen dan zes maanden, indien de woning of woonwagen deel uitmaakt van een door burgemeester en wethouders, de inspecteur gehoord, vastgesteld plan, dat binnen een daarbij te bepalen termijn de geleidelijke ontruiming verzekert van de in dat plan aangewezen voor onbewoonbaarverklaring in aanmerking komende woningen of woonwagens.
5. De in het derde lid bedoelde termijn kan door burgemeester en wethouders, de inspecteur gehoord, telkens met ten hoogste één jaar worden verlengd.
6. Burgemeester en wethouders maken een beslissing tot onbewoonbaarverklaring zo spoedig mogelijk bekend aan degene, die als eigenaar of uit anderen hoofde bevoegd is de woning of woonwagen alsnog in bewoonbare staat te brengen, aan de hoofdbewoner of iedere afzonderlijke bewoner, aan een ieder die als beslaglegger of hypotheekhouder is ingeschreven in de openbare registers, bedoeld in afdeling 3.1.2 van het Burgerlijk Wetboek en aan de inspecteur.
7. De bekendmaking, bedoeld in het zesde lid, aan een beslaglegger of hypotheekhouder geschiedt aan de bij het beslag, onderscheidenlijk de inschrijving van de hypotheek gekozen woonplaats.

Artikel 30
1. De inspecteur kan bij met redenen omkleed voorstel burgemeester en wethouders verzoeken een woning of woonwagen onbewoonbaar te verklaren.
2. Burgemeester en wethouders nemen naar aanleiding van een voorstel als bedoeld in het eerste lid, binnen dertien weken na de dag, waarop zij dat voorstel hebben ontvangen, een beslissing.

Artikel 31
Zodra de beslissing tot onbewoonbaarverklaring van kracht is geworden, wordt door burgemeester en wethouders aan de onbewoonbaarverklaarde woning of woonwagen een kenteken aangebracht, waarop duidelijk is vermeld dat de woning of woonwagen onbewoonbaar is verklaard.

Artikel 32
1.
Het is verboden een onbewoonbaarverklaarde woning of woonwagen na de dag, waarop het in artikel 31 bedoelde kenteken is aangebracht, als woning of woonwagen in gebruik te hebben, te nemen of te geven.
2. Het in het eerste lid bedoelde verbod geldt niet ten aanzien van degene, die de woning of woonwagen op de dag waarop het in artikel 31 bedoelde kenteken is aangebracht reeds gedurende ten minste zes maanden onafgebroken bewoont, zolang die bewoning niet wordt onderbroken en de termijn van ontruiming niet is verstreken.

Artikel 33
Indien na het verstrijken van de overeenkomstig artikel 29 gestelde termijn van ontruiming de bewoning van de onbewoonbaarverklaarde woning of woonwagen voortduurt dan wel die woning of woonwagen in strijd met artikel 32 wordt bewoond, beslissen burgemeester en wethouders tot toepassing van bestuursdwang.

Artikel 34
Indien burgemeester en wethouders bestuursdwang toepassen ingeval na het verstrijken van de termijn van ontruiming, bedoeld in artikel 29, de bewoning van de onbewoonbaarverklaarde woning of woonwagen voortduurt dan wel die woning of woonwagen in strijd met artikel 32 wordt bewoond, wordt de daartoe strekkende beschikking tevens bekendgemaakt aan de personen, genoemd in artikel 29, zesde lid. Artikel 29, zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 35 [Vervallen per 01-01-1998]

Artikel 36
1. Indien een onbewoonbaarverklaarde woning of woonwagen na verloop van de ingevolge artikel 29 gestelde ontruimingstermijn gevaar of ernstige hinder veroorzaakt, besluiten burgemeester en wethouders tot het slopen van die woning of woonwagen of tot het nemen van andere maatregelen, waardoor het gevaar of de hinder wordt weggenomen.
2. Burgemeester en wethouders maken een beslissing als bedoeld in het eerste lid, zo spoedig mogelijk bekend aan de personen, genoemd in artikel 29, zesde lid. Artikel 29, zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.
3. De eigenaar van een woning of woonwagen als bedoeld in het eerste lid, of zijn rechtsopvolger, is verplicht het slopen of het nemen van andere maatregelen als bedoeld in dat lid, te gedogen en is de daaraan verbonden kosten verschuldigd, tenzij die kosten redelijkerwijs niet te zijnen laste behoren te komen.
4. Bij de mededeling van een beslissing als bedoeld in het eerste lid, vermelden burgemeester en wethouders tevens of en in hoeverre de in het derde lid bedoelde kosten ten laste komen van de eigenaar van de woning of woonwagen.

Artikel 37
1.
Indien burgemeester en wethouders van oordeel zijn dat een onbewoonbaarverklaarde woning of woonwagen weer geschikt is geworden voor bewoning, besluiten zij, de inspecteur gehoord, tot opheffing van de onbewoonbaarverklaring.
2. Burgemeester en wethouders maken een beslissing als bedoeld in het eerste lid, zo spoedig mogelijk bekend aan de personen, genoemd in artikel 29, zesde lid. Artikel 29, zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.
3. Nadat de onbewoonbaarverklaring ingevolge het eerste lid is opgeheven, wordt het in artikel 31 bedoelde kenteken zo spoedig mogelijk door burgemeester en wethouders verwijderd.

Artikel 38
1. De onbewoonbaarverklaring vervalt met ingang van de dag na de dag, waarop burgemeester en wethouders aan de personen, genoemd in artikel 29, zesde lid, hebben medegedeeld dat de woning of woonwagen niet meer als woning of woonwagen wordt aangemerkt.
2. De mededeling, bedoeld in het eerste lid, aan een beslaglegger of hypotheekhouder geschiedt aan de bij het beslag, onderscheidenlijk de inschrijving van de hypotheek gekozen woonplaats.
3. Nadat de onbewoonbaarverklaring ingevolge het eerste lid is vervallen, wordt het in artikel 31 bedoelde kenteken zo spoedig mogelijk door burgemeester en wethouders verwijderd.

Artikel 39
De artikelen 29 tot en met 38 zijn van overeenkomstige toepassing op de bruikbaarheid van een standplaats.

Hoofdstuk IV. Vergunningen

Afdeling 1. Bouwvergunning

Artikel 40
1.
Het is verboden te bouwen zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders (bouwvergunning).
2. Ingeval een caravan als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van de Wet op de openluchtrecreatie is aan te merken als een bouwwerk, is niettemin voor het plaatsen daarvan geen bouwvergunning vereist in de gevallen, bedoeld in het derde lid van genoemd artikel.

Artikel 40a
1. Bij algemene maatregel van bestuur worden voorschriften gegeven omtrent de wijze van inrichting en indiening van een aanvraag om bouwvergunning, alsmede omtrent de daarbij over te leggen gegevens en bescheiden.
2. Bij de maatregel kan worden bepaald dat daarbij aan te geven gegevens en bescheiden mogen worden overgelegd binnen een daarbij te bepalen termijn nadat de bouwvergunning is afgegeven.

Artikel 40b [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Artikel 41
Van een aanvraag om bouwvergunning wordt binnen twee weken na ontvangst daarvan door burgemeester en wethouders kennisgegeven in een van gemeentewege uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad.

Artikel 42 [Vervallen per 01-01-2003]

Artikel 43
1.
In afwijking van artikel 40, eerste lid, is geen bouwvergunning vereist voor het bouwen:
a. ingevolge een aanschrijving van burgemeester en wethouders;
b. dat tot het gewone onderhoud behoort, of
c. dat bij algemene maatregel van bestuur is aangemerkt als van beperkte betekenis, waarbij tevens voorschriften kunnen worden gegeven omtrent het gebruik van het bouwwerk of de standplaats.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen:
a. in, op, aan of bij een monument als bedoeld in de Monumentenwet 1988 of een monument als bedoeld in een provinciale of gemeentelijke monumentenverordening, of
b. in een beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in de Monumentenwet 1988.
3. De voordracht voor een krachtens het eerste lid, onderdeel c, vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan de beide kamers der Staten-Generaal is voorgelegd.

Artikel 44
1.
De reguliere bouwvergunning mag slechts en moet worden geweigerd, indien:
a. het bouwen waarop de aanvraag betrekking heeft, niet voldoet aan de voorschriften die zijn gegeven bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in de artikelen 2 en 120;
b. het bouwen niet voldoet aan de bouwverordening, of zolang de bouwverordening daarmee nog niet in overeenstemming is gebracht, aan de voorschriften die zijn gegeven bij een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 8, achtste lid, of bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 120;
c. het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld;
d. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk of de standplaats, waarop de aanvraag betrekking heeft, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onderdeel a, tenzij burgemeester en wethouders van oordeel zijn dat de bouwvergunning niettemin moet worden verleend, of
e. voor het bouwen een vergunning ingevolge de Monumentenwet 1988 of een provinciale of gemeentelijke monumentenverordening is vereist en deze niet is verleend.
2. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald voor welke categorieën van gevallen geen reguliere bouwvergunning is vereist, doch kan worden volstaan met een lichte bouwvergunning. De voordracht voor een krachtens de eerste volzin vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan de beide kamers der Staten-Generaal is voorgelegd.
3. Op de lichte bouwvergunning is het eerste lid van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:
a. onderdeel a van dat lid slechts van toepassing is voor zover de voorschriften die in dat onderdeel zijn bedoeld, betrekking hebben op constructieve veiligheid, en
b. onderdeel b van dat lid slechts van toepassing is voor zover de voorschriften die in dat onderdeel zijn bedoeld, van stedenbouwkundige aard zijn.

Artikel 44a
1. In afwijking van artikel 44, eerste lid, en artikel 56a, tweede en derde lid, kan de reguliere bouwvergunning tevens worden geweigerd:
a. in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, met dien verstande dat voor de toepassing van artikel 3 van die wet in deze wet onder betrokkene mede wordt verstaan degene die op grond van feiten en omstandigheden redelijkerwijs met een aanvrager van de bouwvergunning gelijk kan worden gesteld;
b. indien het advies van de Commissie voor de tunnelveiligheid, bedoeld in artikel 6, derde lid, onderdeel b, van de Wet aanvullende regels veiligheid wegtunnels, daartoe aanleiding geeft.
2. Voordat toepassing wordt gegeven aan het eerste lid, onderdeel a, kan het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, bedoeld in artikel 8 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, om een advies als bedoeld in artikel 9 van die wet worden gevraagd.

Artikel 45
1.
In een bouwvergunning voor:
a. een woonkeet;
b. een bouwwerk, bestemd om in een tijdelijke behoefte, niet zijnde bewoning, te voorzien;
c. een bouwwerk dat slechts toelaatbaar is ingevolge een voorlopige bestemming of
d. een bouwwerk ten aanzien waarvan artikel 17 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening wordt toegepast,
wordt een termijn gesteld, na het verstrijken waarvan het bouwwerk niet langer in stand mag worden gehouden.
2. In de gevallen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, is de termijn ten hoogste vijf jaren.
3. In het geval, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, wordt de termijn vastgesteld overeenkomstig hetgeen bij het bestemmingsplan omtrent de duur van de bestemming is bepaald.
4. In het geval, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, is de termijn gelijk aan die, waarvoor de vrijstelling, bedoeld in artikel 17 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, is verleend.
5. De termijnen kunnen worden verlengd, met dien verstande dat:
a. de termijn ten aanzien van een woonkeet slechts kan worden verlengd, indien een kortere termijn dan vijf jaren is gesteld, en wel tot ten hoogste vijf jaren;
b. de termijn ten aanzien van een bouwwerk dat slechts toelaatbaar is ingevolge een voorlopige bestemming slechts kan worden verlengd, indien de duur van de bestemming inmiddels is verlengd en
c. de termijn ten aanzien van een bouwwerk waarop artikel 17 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening is toegepast, slechts kan worden verlengd, indien de termijn, bedoeld in dat artikel, is verlengd.
6. In de gevallen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, b en c, is de rechthebbende na het verstrijken van de gestelde termijn verplicht binnen dertien weken na aanzegging daartoe van burgemeester en wethouders te zijner keuze het bouwwerk hetzij te slopen hetzij in overeenstemming te brengen met de ter zake geldende voorschriften of eisen.
7. In het geval, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, is na het verstrijken van de termijn artikel 17, vierde tot en met zevende lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening van toepassing.

Artikel 46
1.
Burgemeester en wethouders beslissen omtrent een aanvraag:
a. om een lichte bouwvergunning: binnen zes weken na ontvangst van de aanvraag;
b. om een reguliere bouwvergunning: binnen twaalf weken na ontvangst van de aanvraag;
c. om een reguliere bouwvergunning die overeenkomstig artikel 56a, eerste lid, in twee fasen wordt verleend: telkens binnen zes weken na ontvangst van de aanvraag.
2. Burgemeester en wethouders kunnen hun beslissing omtrent een aanvraag om een reguliere bouwvergunning, dan wel, indien die vergunning overeenkomstig artikel 56a, eerste lid, in twee fasen wordt verleend, hun beslissing omtrent een aanvraag om bouwvergunning eerste of tweede fase, eenmaal met ten hoogste zes weken verdagen.
3. Het eerste lid is niet van toepassing, indien de aanvraag betrekking heeft op een bouwwerk, voor het bouwen waarvan slechts bouwvergunning kan worden verleend, nadat vrijstelling is verleend als bedoeld in de artikelen 15, 17 of 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Een aanvraag om bouwvergunning die slechts kan worden ingewilligd na vrijstelling als bedoeld in de artikelen 15, 17 of 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening wordt geacht mede een verzoek om zodanige vrijstelling in te houden.
4. Indien burgemeester en wethouders niet voldoen aan het eerste lid is de bouwvergunning van rechtswege verleend.
5. Verlening van de bouwvergunning ingevolge het vierde lid wordt aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht.
6. Indien de vergunning een woonkeet betreft, doen burgemeester en wethouders tegelijkertijd met of zo spoedig mogelijk na de bekendmaking mededeling van de in het eerste lid bedoelde beslissing aan de inspecteur.
7. Indien de vergunning een bouwwerk betreft dat behoort tot een beschermd stads- of dorpsgezicht in de zin van de Monumentenwet 1988, doen burgemeester en wethouders tegelijkertijd of zo spoedig mogelijk na de bekendmaking mededeling van de in het eerste lid bedoelde beslissing aan de Rijksdienst voor de Monumentenzorg.
8. Burgemeester en wethouders leggen de gemeenteraad eenmaal per jaar een verslag voor waarin zij uiteenzetten op welke wijze zij toepassing hebben gegeven aan het tweede lid.
9. Indien een beslissing als bedoeld in het eerste of tweede lid afwijkt van het advies van de welstandscommissie wordt zulks met de redenen voor de afwijking bij de bekendmaking vermeld.

Artikel 47
Van de in artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde bevoegdheid om de aanvraag wegens onvolledigheid niet te behandelen, kan slechts gebruik worden gemaakt indien de aanvrager binnen vier weken na ontvangst van de aanvraag in de gelegenheid is gesteld de aanvraag aan te vullen. De door burgemeester en wethouders ingevolge dat artikel te stellen termijn bedraagt ten hoogste vier weken.

Artikel 48
1. Burgemeester en wethouders leggen een aanvraag voor een reguliere bouwvergunning voor advies voor aan de welstandscommissie dan wel de stadsbouwmeester die in de betreffende gemeente werkzaam is. Een aanvraag voor een lichte bouwvergunning kunnen zij voor advies aan die welstandscommissie dan wel de stadsbouwmeester voorleggen.
2. Het eerste lid is niet van toepassing:
a. indien voor het betreffende bouwwerk of de betreffende standplaats geen redelijke eisen van welstand gelden, of
b. indien bij voorbaat vaststaat dat de bouwvergunning reeds op een andere grond moet worden geweigerd dan wegens strijd met redelijke eisen van welstand.

Artikel 49
1.
Indien artikel 46, derde lid, van toepassing is en de aanvraag om bouwvergunning slechts kan worden ingewilligd na verlening van vrijstelling als bedoeld in de artikelen 15 of 17 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, beslissen burgemeester en wethouders omtrent die aanvraag:
a. binnen vier weken nadat zij hebben beslist tot het verlenen van vrijstelling als bedoeld in artikel 15 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening;
b. binnen vier weken nadat zij overeenkomstig artikel 18 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening hebben beslist tot het verlenen van vrijstelling als bedoeld in artikel 17 van die wet.
2. Indien artikel 46, derde lid, van toepassing is en de aanvraag om bouwvergunning slechts kan worden ingewilligd na verlening van vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, beslissen burgemeester en wethouders omtrent die aanvraag:
a. indien geen verklaring van geen bezwaar van gedeputeerde staten is vereist:
1°. binnen zes weken nadat de in artikel 19a, vierde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening juncto artikel 3:16, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht bedoelde termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen is verstreken, indien het een lichte bouwvergunning betreft;
2°. binnen twaalf weken na afloop van de onder 1° bedoelde termijn, indien het een reguliere bouwvergunning betreft;
b. indien een verklaring van geen bezwaar van gedeputeerde staten is vereist:
1°. binnen zes weken na ontvangst van die verklaring, indien het een lichte bouwvergunning betreft;
2°. binnen twaalf weken na ontvangst van die verklaring, indien het een reguliere bouwvergunning betreft.
3. Indien burgemeester en wethouders, of in voorkomend geval, de gemeenteraad de vrijstelling hebben onderscheidenlijk heeft verleend en niet wordt voldaan aan het eerste of tweede lid, is de bouwvergunning van rechtswege verleend.
4. Verlening van de bouwvergunning ingevolge het derde lid wordt aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht.
5. De verlening van de vrijstelling wordt geacht voor de mogelijkheid van beroep ingevolge hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht deel uit te maken van de beschikking waarop zij betrekking heeft.

Artikel 50
1. In afwijking van artikel 46, eerste lid, houden burgemeester en wethouders de beslissing op een aanvraag om bouwvergunning aan indien er geen grond is om de vergunning te weigeren en voor het gebied, waarin het bouwwerk zal worden uitgevoerd, voordat de aanvraag is ingekomen een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 21 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in werking is getreden, een ontwerp voor een bestemmingsplan of voor een herziening daarvan ter inzage is gelegd, een bestemmingsplan of een herziening daarvan is vastgesteld, dan wel een bestemmingsplan of een herziening daarvan na vaststelling ter inzage is gelegd.
2. De aanhouding duurt totdat het voorbereidingsbesluit overeenkomstig artikel 21, vierde of zesde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening is vervallen, de termijn, genoemd in artikel 25 van die wet is overschreden, de termijn voor terinzagelegging, genoemd in artikel 26 van die wet is overschreden dan wel het bestemmingsplan of de herziening daarvan in werking is getreden.
3. In afwijking in zoverre van het tweede lid, duurt de aanhouding voort indien nog niet is voldaan aan een verplichting als bedoeld in artikel 30 of 40a van de Wet op de Ruimtelijke Ordening of een ingevolge artikel 30, 40a of 40b van die wet vastgesteld plan nog niet in werking is getreden. De aanhouding eindigt in elk geval indien binnen een jaar na het verlopen van de termijn, bedoeld in artikel 30 van genoemde wet, geen ontwerp van een bestemmingsplan of van een herziening daarvan ter inzage is gelegd.
4. In afwijking van het eerste lid kunnen burgemeester en wethouders de bouwvergunning verlenen indien het bouwplan niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan of met de in voorbereiding zijnde herziening daarvan dan wel met het provinciaal en nationaal ruimtelijk beleid. Burgemeester en wethouders beslissen omtrent de aanvraag om bouwvergunning overeenkomstig artikel 46.
5. In afwijking van het eerste lid kunnen burgemeester en wethouders de bouwvergunning eveneens verlenen indien het bouwplan in strijd is met het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan of met de in voorbereiding zijnde herziening daarvan, mits het bouwplan is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vergunning geen bezwaar hebben. Het besluit tot vergunningverlening bevat een beschrijving van het betrokken bouwplan, de ruimtelijke onderbouwing en de afwegingen die aan het verlenen van vergunning ten grondslag liggen. Op de voorbereiding van het besluit omtrent vergunningverlening is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Zienswijzen kunnen naar voren worden gebracht door een ieder. Indien geen verklaring van geen bezwaar is vereist, beslissen burgemeester en wethouders in afwijking van artikel 3:18, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, binnen vier weken nadat de termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen is verstreken. Artikel 19a, eerste en vijfde tot en met elfde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening is van overeenkomstige toepassing. Het besluit houdende verlening van de verklaring van geen bezwaar wordt geacht voor de mogelijkheid van beroep ingevolge hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht deel uit te maken van de beschikking waarop het betrekking heeft.
6. In afwijking van het eerste lid kunnen burgemeester en wethouders de bouwvergunning eveneens verlenen indien het bouwplan in strijd is met het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan of met de in voorbereiding zijnde herziening daarvan en het betreft:
a. een bouwvergunning als bedoeld in artikel 45;
b. een geval als bedoeld in artikel 19, tweede of derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening.
7. Op de voorbereiding van een besluit tot vergunningverlening als bedoeld in het zesde lid, is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Zienswijzen kunnen naar voren worden gebracht door een ieder.
8. Na het verstrijken van de aanhoudingsduur, bedoeld in het tweede lid, na de bekendmaking van de verklaring van geen bezwaar, bedoeld in het vijfde lid, of na de terinzageligging overeenkomstig het zevende lid, beslissen burgemeester en wethouders omtrent de aanvraag om bouwvergunning overeenkomstig artikel 46, zulks in afwijking van artikel 3:18, eerste, tweede en vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 51
1. In afwijking van artikel 46, eerste lid, houden burgemeester en wethouders de beslissing omtrent een aanvraag om bouwvergunning eveneens aan, indien er geen grond is om de vergunning te weigeren en de aanvraag een bouwwerk betreft, behorend tot een beschermd stads- of dorpsgezicht in de zin van de Monumentenwet 1988, waarvoor nog geen ter bescherming daarvan strekkend bestemmingsplan geldt.
2. De in het eerste lid bedoelde aanhouding duurt totdat omtrent goedkeuring van een ter voldoening aan artikel 36, tweede lid, van de Monumentenwet 1988 vast te stellen of te herzien bestemmingsplan onherroepelijk is beslist.
3. Onverminderd artikel 50, vierde en vijfde lid, kunnen burgemeester en wethouders, in afwijking van het eerste lid, de bouwvergunning verlenen indien het bouwplan niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde, ter bescherming van het beschermde stads- of dorpsgezicht strekkende bestemmingsplan en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen dat zij tegen het verlenen van de vergunning geen bezwaar hebben.
4. De in het derde lid en artikel 50, vijfde lid, bedoelde verklaringen worden gelijktijdig bekendgemaakt. Artikel 19a, achtste lid, eerste volzin, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening is alsdan niet van toepassing op de verklaring van geen bezwaar, bedoeld in artikel 50, vijfde lid. Alvorens het besluit omtrent de in het derde lid bedoelde verklaring te nemen horen gedeputeerde staten de Rijksdienst voor de Monumentenzorg. Van het besluit wordt onverwijld mededeling gedaan aan genoemde dienst. Artikel 10:31, tweede en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing. Het besluit houdende verlening van de verklaring van geen bezwaar wordt geacht voor de mogelijkheid van beroep ingevolge hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht deel uit te maken van de beschikking waarop het betrekking heeft. Gedeputeerde staten kunnen een verklaring weigeren wegens strijd met een goede ruimtelijke ordening.
5. Na het verstrijken van de aanhoudingsduur, bedoeld in het tweede lid, of na de bekendmaking van de verklaring van geen bezwaar, bedoeld in het derde lid, beslissen burgemeester en wethouders omtrent de aanvraag om bouwvergunning overeenkomstig artikel 46.

Artikel 51a
Indien een plusregio als bedoeld in artikel 104 van de Wet gemeenschappelijke regelingen die de gemeente of gemeenten Amsterdam, Arnhem en Nijmegen, Eindhoven en Helmond, Enschede en Hengelo, ’s-Gravenhage, Rotterdam of Utrecht omvat, is begrepen in een regionaal structuurplan, horen gedeputeerde staten tevens het dagelijks bestuur van die plusregio alvorens zij besluiten omtrent de verklaring van geen bezwaar, bedoeld in artikel 50.

Artikel 52
1. In afwijking van artikel 46, eerste lid, houden burgemeester en wethouders de beslissing omtrent een aanvraag om bouwvergunning eveneens aan, indien er geen grond is om de vergunning te weigeren en het bouwen tevens is aan te merken als het oprichten of veranderen van een inrichting waarvoor een vergunning krachtens artikel 8.1 van de Wet milieubeheer of artikel 15, onderdeel b, van de Kernenergiewet is vereist, tenzij de beschikking op de aanvraag om laatstbedoelde vergunning reeds is gegeven, en
a. over het ontwerp van de beschikking geen zienswijzen naar voren zijn gebracht en de beschikking niet afwijkt van dat ontwerp, of
b. indien het onder a gestelde niet van toepassing is:
1°. zes weken zijn verstreken na de dag waarop een exemplaar van die beschikking ter inzage is gelegd, of
2°. binnen die termijn een verzoek om voorlopige voorziening is gedaan en op dat verzoek is beslist.
2. De in het eerste lid bedoelde aanhouding eindigt:
a. indien de beschikking op de aanvraag om de ingevolge de in het eerste lid genoemde wetten vereiste vergunning is gegeven, over het ontwerp van de beschikking geen zienswijzen naar voren zijn gebracht en de beschikking niet afwijkt van dat ontwerp: op de dag waarop burgemeester en wethouders van het ingevolge de in het eerste lid genoemde wetten bevoegde gezag een exemplaar van die beschikking hebben ontvangen, of
b. indien het onder a gestelde niet van toepassing is:
1°. zes weken zijn verstreken na de dag waarop een exemplaar van de beschikking op de aanvraag om die vergunning ter inzage is gelegd, of
2°. indien binnen die termijn een verzoek om voorlopige voorziening is gedaan, met ingang van de dag na die waarop op dat verzoek is beslist..
3. Na de in het tweede lid bedoelde beëindiging van de aanhouding verlenen burgemeester en wethouders de bouwvergunning, tenzij het vierde lid van toepassing is, binnen vier weken na de beëindiging van de aanhouding. Indien burgemeester en wethouders niet binnen die termijn beslissen, is de bouwvergunning van rechtswege verleend. Artikel 46, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
4. Indien het bouwplan waarop de aanvraag om bouwvergunning betrekking heeft, wijziging behoeft als gevolg van de vergunning in verband waarmee de beslissing op de aanvraag om bouwvergunning werd aangehouden, delen burgemeester en wethouders dit binnen twee weken na de beëindiging van de aanhouding aan de aanvrager van de bouwvergunning mede. Zij stellen hem daarbij in de gelegenheid binnen vijf weken een gewijzigde aanvraag om bouwvergunning in te dienen. Burgemeester en wethouders beslissen omtrent de gewijzigde aanvraag om bouwvergunning binnen vier weken. Indien burgemeester en wethouders niet binnen die termijn beslissen, is de bouwvergunning van rechtswege verleend. Artikel 46, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
5. Indien de aanvrager van de bouwvergunning geen gebruik maakt van de hem overeenkomstig het vierde lid geboden gelegenheid, is de bouwvergunning van rechtswege verleend met ingang van de dag na de dag waarop de termijn van de hem geboden gelegenheid is verstreken. Artikel 46, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
6. Indien burgemeester en wethouders niet zelf het bestuursorgaan zijn dat bevoegd is tot verlening van de vergunning in verband waarmee de beslissing op de aanvraag om bouwvergunning werd aangehouden, zenden zij een afschrift van de aanhouding, bedoeld in het eerste lid, onderscheidenlijk de beslissingen, bedoeld in het derde en vierde lid, aan het desbetreffende, krachtens de in het eerste lid genoemde wetten bevoegde gezag. Tevens stellen zij dat gezag in kennis van de verlening van de bouwvergunning ingevolge het vijfde lid.

Artikel 52a
1.
In afwijking van artikel 46, eerste lid, houden burgemeester en wethouders de beslissing op een aanvraag om bouwvergunning eveneens aan, indien er geen grond is de bouwvergunning te weigeren en uit het onderzoeksrapport, bedoeld in artikel 8, vierde lid, onderdeel c, blijkt dat de bodem ter plaatse van het te bouwen bouwwerk in zodanige mate is verontreinigd dan wel bij hen uit anderen hoofde een redelijk vermoeden bestaat dat overeenkomstig de Wet bodembescherming sprake is van een geval van ernstige verontreiniging. Het besluit tot aanhouding van de beslissing op de aanvraag om bouwvergunning wordt genomen binnen twee weken na ontvangst van die aanvraag; indien er geen grond is de bouwvergunning te weigeren en de beslissing niet binnen deze termijn is genomen en uit het onderzoeksrapport blijkt dat de bodem ernstig is verontreinigd, is die beslissing van rechtswege genomen.
2. De aanhouding duurt totdat het krachtens de Wet bodembescherming bevoegd gezag met het saneringsplan, bedoeld in artikel 39, eerste lid, van die wet, overeenkomstig het tweede lid van dat artikel, heeft ingestemd dan wel overeenkomstig artikel 29, eerste lid, juncto 37, eerste lid, van die wet heeft vastgesteld dat geen sprake is van een geval van ernstige verontreiniging ten aanzien waarvan spoedige sanering noodzakelijk is. In geval van een melding als bedoeld in artikel 28 juncto 39b van de Wet bodembescherming, duurt de aanhouding totdat is gebleken dat de melding overeenkomstig de bij of krachtens die wet gestelde eisen is gedaan.
3. Indien het bouwplan, waarop de aanvraag om bouwvergunning betrekking heeft, wijziging behoeft door het saneringsplan waarmee is ingestemd, delen burgemeester en wethouders dit binnen twee weken na de beëindiging van de aanhouding aan de aanvrager van de bouwvergunning mede. Zij stellen hem daarbij in de gelegenheid binnen vijf weken een gewijzigde aanvraag om bouwvergunning in te dienen.
4. Na de beëindiging van de aanhouding of, indien toepassing is gegeven aan het derde lid, beslissen burgemeester en wethouders op de aanvraag om bouwvergunning overeenkomstig artikel 46, met dien verstande dat de termijn, die in het eerste lid van dat artikel is genoemd, aanvangt op de dag die volgt op de datum waarop de aanhouding is beëindigd. Indien toepassing is gegeven aan het derde lid en de aanvrager van de bouwvergunning niet binnen vijf weken een gewijzigde aanvraag om bouwvergunning heeft ingediend, is de bouwvergunning van rechtswege geweigerd.

Artikel 53
1.
In afwijking van artikel 46, eerste lid, houden burgemeester en wethouders de beslissing omtrent een aanvraag om bouwvergunning eveneens aan, indien er geen grond is om de vergunning te weigeren en voor het gebouw een aanvraag is ingediend om een toelating als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de Wet toelating zorginstellingen.
2. De in het eerste lid bedoelde aanhouding eindigt, indien Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport voor het betrokken bouwproject een toelating heeft verleend als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de Wet toelating zorginstellingen.
3. Zo spoedig mogelijk na de bekendmaking doen burgemeester en wethouders mededeling van de aanhouding, bedoeld in het eerste lid, alsmede van de beëindiging van de aanhouding, aan het gezag, bedoeld in het tweede lid.
4. Na de in het tweede lid bedoelde beëindiging van de aanhouding verlenen burgemeester en wethouders de bouwvergunning, tenzij het zesde lid van toepassing is, binnen vier weken na de beëindiging van de aanhouding.
5. Indien burgemeester en wethouders niet voldoen aan het vierde lid, is de bouwvergunning, behoudens in een geval als bedoeld in het zesde lid, van rechtswege verleend. Artikel 46, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
6. Indien het bouwplan, waarop de aanvraag om bouwvergunning betrekking heeft, als gevolg van een vergunning als bedoeld in het tweede lid, in verband waarmee de beslissing op de aanvraag om bouwvergunning is aangehouden, naar het oordeel van burgemeester en wethouders wijziging behoeft, stellen zij de aanvrager van de bouwvergunning in de gelegenheid binnen vijf weken nadat zij hem mededeling hebben gedaan van de in het tweede lid bedoelde beëindiging van de aanhouding, een gewijzigde aanvraag om bouwvergunning in te dienen. Burgemeester en wethouders beslissen omtrent de gewijzigde aanvraag om bouwvergunning overeenkomstig artikel 46. Artikel 47 is op de gewijzigde aanvraag om bouwvergunning van overeenkomstige toepassing.
7. Indien de aanvrager van de bouwvergunning geen gebruik maakt van de hem overeenkomstig het zesde lid geboden gelegenheid, is de bouwvergunning van rechtswege verleend met ingang van de dag na de dag waarop de termijn van de hem geboden gelegenheid is verstreken. Artikel 46, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 54
1. In afwijking van artikel 46, eerste lid, houden burgemeester en wethouders de beslissing omtrent een aanvraag om bouwvergunning eveneens aan, indien voor het bouwwerk een vergunning als bedoeld in artikel 11, tweede lid, van de Monumentenwet 1988 is vereist.
2. De in het eerste lid bedoelde aanhouding eindigt:
a. indien tegen het besluit, bedoeld in artikel 11, tweede lid, van de Monumentenwet 1988, geen beroep is ingesteld, met ingang van de dag waarop zes weken zijn verstreken na de bekendmaking van dat besluit, of
b. indien tegen het besluit, bedoeld onder a, binnen zes weken na de bekendmaking ervan beroep is ingesteld, met ingang van de dag na de dag waarop het verzoek van de vergunninghouder om de opschorting van dat besluit op te heffen, is toegewezen.
3. Zo spoedig mogelijk na de bekendmaking doen burgemeester en wethouders mededeling van de aanhouding, bedoeld in het eerste lid, aan het gezag, bedoeld in het tweede lid.
4. Burgemeester en wethouders beslissen binnen twee weken na beëindiging van de in het tweede lid bedoelde aanhouding op de aanvraag om bouwvergunning. Tegelijkertijd met de bekendmaking wordt mededeling gedaan van de beëindiging van de aanhouding.
5. Indien burgemeester en wethouders niet voldoen aan het vierde lid en de vergunning, bedoeld in artikel 11, tweede lid, van de Monumentenwet 1988 is verleend of moet worden geacht te zijn verleend, is de bouwvergunning van rechtswege verleend. Artikel 46, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 55
1. In afwijking van artikel 46, eerste lid, houden burgemeester en wethouders de beslissing omtrent een aanvraag om bouwvergunning eveneens aan, indien naar hun oordeel voor het bouwen van het bouwwerk ontheffing als bedoeld in artikel 7, eerste lid, is vereist.
2. De in het eerste lid bedoelde aanhouding eindigt op de dag, volgende op de dag waarop burgemeester en wethouders het in artikel 7, vierde lid, bedoelde afschrift hebben ontvangen.
3. Burgemeester en wethouders doen de bekendmaking van de aanhouding, bedoeld in het eerste lid, vergezeld gaan van een verklaring als bedoeld in artikel 7, tweede lid.
4. Na beëindiging van de aanhouding, bedoeld in het tweede lid, beslissen burgemeester en wethouders binnen twee weken omtrent de aanvraag om bouwvergunning, met dien verstande dat de bouwvergunning moet worden verleend, indien de ontheffing, bedoeld in artikel 7, eerste lid, is verleend.
5. Tegelijkertijd met de bekendmaking van de in het vierde lid bedoelde beslissing wordt mededeling gedaan van de in het tweede lid bedoelde beëindiging van de aanhouding.
6. Indien burgemeester en wethouders niet voldoen aan het vijfde lid en de ontheffing, bedoeld in artikel 7, eerste lid, is verleend, is de bouwvergunning van rechtswege verleend. Artikel 46, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 56
Burgemeester en wethouders mogen aan de bouwvergunning slechts voorwaarden verbinden ter bescherming van de belangen, ten behoeve waarvan de voorschriften strekken krachtens welke de vergunning wordt verleend en waaraan het bouwwerk, waarop de aanvraag betrekking heeft, moet voldoen.

Artikel 56a
1.
Een reguliere bouwvergunning wordt op aanvraag in twee fasen verleend.
2. De bouwvergunning eerste fase mag slechts en moet worden geweigerd indien een weigeringsgrond als bedoeld in artikel 44, eerste lid, onderdeel b, c, d of e, van toepassing is, met dien verstande dat onderdeel b van dat lid slechts van toepassing is voor zover de daar bedoelde voorschriften van stedenbouwkundige aard zijn.
3. De bouwvergunning tweede fase mag slechts en moet worden geweigerd indien een weigeringsgrond als bedoeld in artikel 44, eerste lid, onderdeel a of b, van toepassing is, met dien verstande dat onderdeel b van dat lid niet van toepassing is voor zover de daar bedoelde voorschriften van stedenbouwkundige aard zijn.
4. De aanvraag om bouwvergunning tweede fase kan eerst worden ingediend:
a. na afloop van de termijn waarbinnen overeenkomstig artikel 46, eerste lid, onderdeel c, of tweede lid, op de aanvraag om bouwvergunning eerste fase moet worden beslist, dan wel
b. indien op een eerder tijdstip op die aanvraag is beslist: nadat die beslissing is bekendgemaakt.
5. Indien de bouwvergunning in twee fasen wordt verleend, wordt in:
a. artikel 41 in plaats van «aanvraag om bouwvergunning» gelezen: aanvraag om bouwvergunning eerste, dan wel tweede fase;
b. artikel 48, eerste lid, in plaats van «aanvraag voor een reguliere bouwvergunning» gelezen: aanvraag om bouwvergunning eerste fase;
c. de artikelen 49, eerste lid, 50, eerste lid, 51, eerste lid, en 54, eerste lid, in plaats van «aanvraag om bouwvergunning» gelezen: aanvraag om bouwvergunning eerste fase;
d. artikel 49, tweede lid, onderdeel a, onder 2°, en onderdeel b, onder 2°, in plaats van «binnen twaalf weken» telkens gelezen «binnen zes weken», en in plaats van «reguliere bouwvergunning» telkens: aanvraag om bouwvergunning eerste fase;
e. de artikelen 52, eerste lid, 52a, eerste lid, 53, eerste lid, en 55, eerste lid, in plaats van «aanvraag om bouwvergunning» telkens gelezen: aanvraag om bouwvergunning tweede fase.
6. Burgemeester en wethouders kunnen het besluit waarbij de bouwvergunning eerste fase is verleend, intrekken indien:
a. blijkt, dat zij dit besluit ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave hebben genomen, of dat gegevens of bescheiden als bedoeld in artikel 40a, tweede lid, niet tijdig zijn overgelegd, of
b. niet binnen 12 maanden na het onherroepelijk worden van het besluit een aanvraag om bouwvergunning tweede fase is ingediend.
7. Het besluit waarbij de bouwvergunning eerste fase is verleend, vervalt indien niet binnen twee jaren na het onherroepelijk worden ervan een aanvraag om bouwvergunning tweede fase is ingediend.
8. Indien het bouwplan waarvoor de bouwvergunning eerste fase is verleend als gevolg van hun besluit omtrent de aanvraag om bouwvergunning tweede fase zodanige wijziging behoeft dat naar het oordeel van burgemeester en wethouders wederom een toetsing aan de weigeringsgronden van de eerste fase noodzakelijk is, delen zij dit onverwijld mede aan de aanvrager van de bouwvergunning tweede fase. Zij stellen hem daarbij in de gelegenheid binnen vijf weken een gewijzigde aanvraag om bouwvergunning eerste fase in te dienen. Burgemeester en wethouders beslissen omtrent die gewijzigde aanvraag binnen vier weken. Indien burgemeester en wethouders niet binnen die vier weken beslissen, is de bouwvergunning eerste fase van rechtswege verleend. De bouwvergunning eerste fase, zoals die in tweede instantie is verleend, treedt, voor zover die afwijkt van de primaire bouwvergunning eerste fase, in de plaats van de primaire bouwvergunning eerste fase. Artikel 46, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing. Indien de aanvrager geen gebruik maakt van de gelegenheid die hem krachtens de tweede volzin is geboden, is de bouwvergunning van rechtswege geweigerd met ingang van de dag na de dag waarop de termijn van de hem geboden gelegenheid is verstreken.

Artikel 56b
1.
In afwijking van artikel 46, eerste lid, onderdeel c, en tweede lid, houden burgemeester en wethouders de beslissing omtrent de aanvraag om bouwvergunning tweede fase aan indien er geen grond is om de vergunning te weigeren en de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift tegen het besluit, waarbij de bouwvergunning eerste fase is verleend, nog niet is verstreken. In afwijking van artikel 46, eerste lid, onderdeel c, en tweede lid, houden burgemeester en wethouders de beslissing omtrent de aanvraag om bouwvergunning tweede fase eveneens aan indien er geen grond is om de vergunning te weigeren en indien gedurende de termijn, bedoeld in de eerste volzin, bij de voorzieningenrechter van de rechtbank een verzoek om schorsing van het besluit als bedoeld in de eerste volzin is ingediend en op dat verzoek positief is beslist. De aanhouding eindigt op de dag na de dag dat de termijn, bedoeld in de eerste volzin, is verstreken zonder dat een bezwaarschrift is ingediend, of, indien wel een bezwaarschrift is ingediend en het besluit als bedoeld in de eerste volzin is geschorst, op de dag dat de schorsing ingevolge artikel 8:85 van de Algemene wet bestuursrecht vervalt.
2. In afwijking van artikel 46, eerste lid, onderdeel c, en tweede lid, houden burgemeester en wethouders de beslissing omtrent de aanvraag om bouwvergunning tweede fase eveneens aan indien er geen grond is om de vergunning te weigeren en toepassing is gegeven aan artikel 56a, achtste lid, tweede volzin. De aanhouding eindigt op de dag na de dag dat een gewijzigde aanvraag om bouwvergunning eerste fase is ingediend.

Artikel 57
1. Burgemeester en wethouders stellen een openbaar register in, waarin aantekening wordt gehouden van:
a. aanvragen om bouwvergunning;
b. verleende bouwvergunningen;
c. bouwvergunningen die van rechtswege zijn verleend.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat burgemeester en wethouders ook andere gegevens aantekenen in het register, bedoeld in het eerste lid.
3. Bij de maatregel kan worden bepaald binnen welke termijn de gegevens, bedoeld in het eerste en tweede lid, dienen te worden aangetekend. Die termijn kan voor de verschillende gegevens verschillend worden gesteld.

Artikel 58
De eigenaar of hoofdgebruiker van een naburig ander gebouw wordt, overeenkomstig bij de bouwverordening gegeven voorschriften, door burgemeester en wethouders binnen twee weken na de dag waarop een bouwvergunning van rechtswege is verleend, schriftelijk van deze verlening in kennis gesteld.

Artikel 59
1. Burgemeester en wethouders kunnen de bouwvergunning geheel of gedeeltelijk intrekken:
a. indien blijkt, dat zij de vergunning ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave hebben verleend of dat gegevens of bescheiden als bedoeld in artikel 40a, tweede lid, niet tijdig zijn overgelegd;
b. indien blijkt dat de houder niet heeft voldaan aan een voorwaarde als bedoeld in artikel 56;
c. indien binnen de in de bouwverordening bepaalde termijn geen begin is gemaakt met de bouwwerkzaamheden;
d. indien de werkzaamheden langer dan de in de bouwverordening bepaalde termijn hebben stilgelegen;
e. op verzoek van de vergunninghouder, of
f. in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, met dien verstande dat voor de toepassing van artikel 3 van die wet in deze wet onder betrokkene mede wordt verstaan degene die op grond van feiten en omstandigheden redelijkerwijs met een vergunninghouder gelijk kan worden gesteld.
2. Een vergunning met toepassing van artikel 45 verleend, kan bovendien worden ingetrokken, indien de voorschriften omtrent het onderhoud en het gebruik niet worden nageleefd.
3. Een intrekking als bedoeld in het tweede lid, heeft hetzelfde rechtsgevolg als het verstrijken van de in de vergunning gestelde termijn.
4. Voordat toepassing wordt gegeven aan onderdeel f van het eerste lid kan het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, bedoeld in artikel 8 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, om een advies als bedoeld in artikel 9 van die wet worden gevraagd.
5. Op de voorbereiding van een intrekking van een bouwvergunning is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.

Afdeling 2. Woonvergunning

Artikel 60
1. Het is verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders (woonvergunning) een bestaand gebouw dan wel een gedeelte van een bestaand gebouw, dat, ofschoon niet ongeschikt voor bewoning, laatstelijk niet of wederrechtelijk als woning of woonwagen werd gebruikt, als woning of woonwagen in gebruik te geven of te nemen.
2. De woonvergunning mag alleen en moet worden geweigerd indien het beoogde gebruik van het gebouw dan wel het gedeelte van het gebouw niet voldoet aan de voorschriften van de bouwverordening of in strijd is met het desbetreffende bestemmingsplan.
3. Het eerste lid is niet van toepassing op het als woning of woonwagen in gebruik geven of nemen van een bestaand gebouw dan wel een gedeelte van een bestaand gebouw, dat, ofschoon ongeschikt voor bewoning, overeenkomstig de daarvoor geldende voorschriften voor bewoning geschikt is gemaakt.
4. De artikelen 46, 47, 50, 51, 51a, 56 en 59 zijn van overeenkomstige toepassing, voor zover het betreft de bepalingen die betrekking hebben op de reguliere bouwvergunning.

Afdeling 3. Vergunning tot hergebruik van een ontruimde onbewoonbaarverklaarde woning of woonwagen

Artikel 61
1. Het is verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders een ontruimde onbewoonbaarverklaarde woning of woonwagen voor andere doeleinden dan bewoning in gebruik te geven of te nemen.
2. De in het eerste lid bedoelde vergunning mag alleen en moet worden geweigerd indien:
a. de in dat lid bedoelde woning of woonwagen niet voldoet aan de bij of krachtens de in artikel 2 bedoelde algemene maatregel van bestuur gegeven voorschriften omtrent de staat van bestaande gebouwen, niet zijnde woningen of woonwagens;
b. het beoogde gebruik van de in dat lid bedoelde woning of woonwagen niet voldoet aan de voorschriften van de bouwverordening, of
c. het beoogde gebruik van de in dat lid bedoelde woning of woonwagen in strijd is met het desbetreffende bestemmingsplan.
3. De artikelen 46, 47, 50, 51, 51a, 56 en 59 zijn van overeenkomstige toepassing, voor zover het betreft de bepalingen die betrekking hebben op de reguliere bouwvergunning.

Afdeling 4. Vergunning voor toegelaten instellingen tot vervreemden van onroerende zaken en daarop vestigen van zakelijke rechten

Artikel 61a
1. Het is een toegelaten instelling als bedoeld in artikel 70, eerste lid, in bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangegeven gevallen, verboden zonder vergunning van Onze Minister haar onroerende zaken te vervreemden aan of daarop een recht van erfpacht, van opstal of van vruchtgebruik te vestigen ten behoeve van een wederpartij die geen zodanige toegelaten instelling en geen huurder van een onroerende zaak van een zodanige toegelaten instelling is. Onze Minister stelt voor het aanvragen van een zodanige vergunning en het in verband daarmee door de betrokken toegelaten instelling verstrekken van gegevens een formulier vast.
2. Onze Minister kan de in het eerste lid bedoelde vergunning weigeren, indien de toegelaten instelling bij een voorgenomen vervreemding aan of vestiging van een recht als bedoeld in dat lid naar zijn oordeel:
a. onvoldoende rekening houdt met de gevolgen daarvan voor de huurders van de betrokken onroerende zaken;
b. onvoldoende motiveert waarom zij afziet van vervreemding aan of vestiging van een zodanig recht ten behoeve van een andere wederpartij, of
c. de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gegeven, op een handeling als bedoeld in het eerste lid van toepassing zijnde voorschriften niet naleeft.
3. Onze Minister kan de in het eerste lid bedoelde vergunning intrekken, indien hem blijkt dat hij de vergunning ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave heeft verleend.
4. Onze Minister kan de in het eerste lid bedoelde vergunning tevens weigeren of intrekken in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.
5. Voordat toepassing wordt gegeven aan het vierde lid, kan het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, bedoeld in artikel 8 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, om een advies als bedoeld in artikel 9 van die wet worden gevraagd.

Hoofdstuk V. Voorziening in de woningbehoefte

Afdeling 1. Onderzoek naar de volkshuisvesting

Artikel 62
1. Bij algemene maatregel van bestuur kan, ten einde gegevens te verkrijgen omtrent omvang en samenstelling van de woningvoorraad en omtrent gebruik en bezetting van woningen, worden bepaald dat een algemene woningtelling wordt gehouden. In die maatregel worden tijdstip, doel en inhoud van de woningtelling omschreven.
2. Bij of krachtens de in het eerste lid bedoelde algemene maatregel van bestuur kunnen nadere voorschriften omtrent de woningtelling worden gegeven.
3. De colleges van burgemeester en wethouders verlenen hun medewerking aan de uitvoering van de in het eerste lid bedoelde algemene maatregel van bestuur.
4. Bij de in het eerste lid bedoelde algemene maatregel van bestuur worden voorschriften gegeven omtrent de aan gemeenten uit ’s Rijks kas toe te kennen vergoeding van ter zake gemaakte kosten.

Artikel 63
1. Bij koninklijk besluit kunnen burgemeester en wethouders worden verplicht, overeenkomstig bij dat besluit te geven voorschriften, een bijzonder onderzoek naar de staat van de volkshuisvesting in te stellen.
2. Aan gemeenten kunnen financiële middelen uit ’s Rijks kas worden verstrekt ter bestrijding van de kosten, verbonden aan een onderzoek als bedoeld in het eerste lid.

Afdeling 2. Planning, programmering en verdeling

Artikel 64
Onze Minister verstrekt eenmaal per jaar aan de Staten-Generaal een verslag van de aard en het aantal van de woningen die in het jaar, voorafgaand aan het jaar waarin het verslag wordt aangeboden, zijn gebouwd.

Artikel 65
1. Burgemeester en wethouders alsmede gedeputeerde staten verstrekken overeenkomstig bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gegeven voorschriften informatie ten behoeve van de door Onze Minister ingevolge artikel 64 aan de Staten-Generaal te verstrekken gegevens.
2. Bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, worden in elk geval voorschriften gegeven omtrent de aard en omvang van de te verstrekken informatie, de instanties die, alvorens de informatie wordt verstrekt, moeten worden gehoord, alsmede de wijze waarop, het tijdstip waarop en de instantie waaraan de informatie moet worden verstrekt.

Artikel 66 [Vervallen per 01-01-1998]

Artikel 67 [Vervallen per 01-12-2000]

Artikel 68 [Vervallen per 01-12-2000]

Artikel 69
Een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 65, treedt niet eerder in werking dan twee maanden na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin hij is geplaatst. Van de plaatsing wordt onverwijld mededeling gedaan aan de beide kamers der Staten-Generaal.

Afdeling 3. Instellingen werkzaam in het belang van de volkshuisvesting

Artikel 70
1. Verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid en stichtingen, die zich ten doel stellen uitsluitend op het gebied van de volkshuisvesting werkzaam te zijn en niet beogen uitkeringen te doen anders dan in het belang van de volkshuisvesting, kunnen bij koninklijk besluit worden toegelaten als instellingen, uitsluitend in het belang van de volkshuisvesting werkzaam.
2. De toelating, bedoeld in het eerste lid, kan bij koninklijk besluit worden geweigerd of ingetrokken. De toelating wordt in elk geval geweigerd, indien de vereniging of de stichting niet voldoet aan het eerste lid of de toelating niet in het belang van de volkshuisvesting is te achten. De toelating wordt ingetrokken, indien de toegelaten instelling niet langer uitsluitend op het gebied van de volkshuisvesting werkzaam is of uitkeringen doet anders dan in het belang van de volkshuisvesting.
3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen andere dan de in het tweede lid bedoelde gevallen worden aangegeven, waarin de toelating wordt of kan worden geweigerd dan wel wordt of kan worden ingetrokken.
4. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere voorschriften gegeven omtrent de toelating, alsmede omtrent weigering en intrekking van de toelating. Daarbij kan worden bepaald, dat de statuten van de vereniging of de stichting voorschrijven dat bij ontbinding van de vereniging of de stichting de vereffening geschiedt door een of meer door burgemeester en wethouders van de gemeente, waar de vereniging of de stichting haar woonplaats heeft, aangewezen vereffenaars.

Artikel 70a
1. Bij koninklijk besluit kan worden bepaald dat de toegelaten instellingen binnen een bij dat besluit gestelde termijn hun statuten moeten aanpassen aan de voorschriften omtrent de toelating, zoals deze luiden op de dag waarop dat besluit is genomen.
2. Indien een toegelaten instelling geen uitvoering geeft aan een besluit als bedoeld in het eerste lid, kan de toelating worden ingetrokken.

Artikel 70b
1. Tegen een koninklijk besluit dat strekt tot intrekking van de toelating staat beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling oordeelt in hoogste ressort over het beroep. Zij geeft daarbij aanvankelijk overeenkomstige toepassing aan artikel 8:52 van de Algemene wet bestuursrecht en kan nadien overeenkomstige toepassing geven aan artikel 8:53 van die wet.
2. Nadat een koninklijk besluit dat strekt tot intrekking van de toelating onherroepelijk is geworden, wordt de vereniging of de stichting op vordering van Onze Minister ontbonden door de rechtbank binnen welker rechtsgebied zij gevestigd is.

Artikel 70c
1.
De toegelaten instellingen huisvesten bij voorrang personen die door hun inkomen of door andere omstandigheden moeilijkheden ondervinden bij het vinden van hun passende huisvesting. Bij het in gebruik geven van door hen beheerde woningen met een verhoudingsgewijs lage huurprijs geven zij zo veel mogelijk voorrang aan woningzoekenden die, gelet op hun inkomen, in het bijzonder op die woningen zijn aangewezen.
2. De toegelaten instellingen nemen bij hun werkzaamheden voorts de daaromtrent bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gegeven voorschriften in acht. Deze voorschriften betreffen in ieder geval:
a. het verwerven, bouwen, bezwaren en vervreemden van onroerende zaken;
b. het treffen van voorzieningen aan woningen;
c. het verhuren van woningen;
d. de wijze van beheer van woningen;
e. de exploitatie van woningen;
f. de bestemming van batige saldi;
g. het financiële beleid en beheer;
h. de verslaglegging;
i. de inrichting van de administratie en
j. overleg met en verplichtingen ten opzichte van huurders.
3. Bij de in het tweede lid bedoelde algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat het eerste lid, alsmede voorschriften als bedoeld in het tweede lid, van toepassing zijn op gemeenten.
4. Bij of krachtens de in het tweede lid bedoelde algemene maatregel van bestuur kunnen de in dat lid genoemde voorschriften voorts worden gegeven voor standplaatsen en woonwagens, instellingen waarin aan ten minste vijf personen van 65 jaar of ouder duurzaam verblijf en verzorging wordt verschaft, onroerende aanhorigheden van woningen, standplaatsen, woonwagens en zodanige verzorgingshuizen, alsmede de woonomgeving.

Artikel 70d
1. De toegelaten instellingen staan onder toezicht van Onze Minister, behoudens artikel 71a, eerste lid, aanhef en onderdeel b.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden omtrent het toezicht nadere voorschriften gegeven. Daarbij kan worden bepaald dat in de bij die maatregel aangegeven gevallen:
a. Onze Minister een toegelaten instelling een aanwijzing kan geven om een of meer handelingen te verrichten of na te laten;
b. een toegelaten instelling bepaalde handelingen slechts kan verrichten na voorafgaande goedkeuring of
c. ten behoeve van door een toegelaten instelling te verrichten handelingen een plan wordt opgesteld door een door Onze Minister aan te wijzen persoon of instantie.

Artikel 70e
1.
Indien een toegelaten instelling ernstige schade aan het belang van de volkshuisvesting berokkent, redelijkerwijs in die situatie geen verbetering te voorzien is en een andere daartegen gerichte maatregel dan het onder bewind stellen van die toegelaten instelling niet doeltreffender zou zijn, kan de rechtbank binnen welker rechtsgebied die toegelaten instelling gevestigd is haar onder bewind stellen op een daartoe strekkend verzoek van Onze Minister. Onze Minister kan bij zijn verzoek personen voor benoeming tot bewindvoerder voordragen en voorstellen doen omtrent hun beloning.
2. De rechtbank behandelt het verzoek binnen twee weken nadat hij het heeft ontvangen. Hij kan inzage nemen of, door daartoe door hem aangewezen deskundigen, doen nemen van zakelijke gegevens en bescheiden van de betrokken toegelaten instelling.
3. Een toegelaten instelling die surseance van betaling heeft aangevraagd, aan welke surseance van betaling is verleend, van welke het faillissement is aangevraagd of die failliet is verklaard kan niet onder bewind worden gesteld in de zin van dit artikel.

Artikel 70f
1. Bij een beslissing waarbij een toegelaten instelling onder bewind wordt gesteld, benoemt de rechtbank een of meer bewindvoerders en regelt hij hun beloning. De beloning komt voor rekening van de toegelaten instelling.
2. De bewindvoerders maken onverwijld een uittreksel van de uitspraak bekend in de Staatscourant en in een of meer bij de uitspraak aangewezen nieuwsbladen. Het uittreksel vermeldt naam en woonplaats van de toegelaten instelling en de woonplaats of het kantoor van de bewindvoerders, alsmede de datum van de uitspraak.
3. De uitspraak is uitvoerbaar bij voorraad, onverminderd enige daartegen gerichte voorziening. Gedurende acht dagen na de uitspraak kan daartegen hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof binnen welks rechtsgebied de betrokken toegelaten instelling gevestigd is. Het gerechtshof behandelt het beroep binnen twee weken nadat het het beroepschrift heeft ontvangen.
4. Gedurende acht dagen na de uitspraak van het gerechtshof in hoger beroep kan daartegen beroep in cassatie worden ingesteld. De Hoge Raad behandelt het beroep binnen twee weken nadat hij het beroepschrift heeft ontvangen.

Artikel 70g
1. De bewindvoerders oefenen bij uitsluiting alle bevoegdheden uit van de organen van de toegelaten instelling, tenzij de rechtbank heeft bepaald dat een orgaan zijn bevoegdheden kan blijven uitoefenen. Zij doen voorts onverwijld aan de Kamer van Koophandel en Fabrieken binnen welker gebied de toegelaten instelling gevestigd is opgaaf van de uitspraak van de rechtbank en van de gegevens omtrent zichzelf die omtrent een bestuurder worden verlangd.
2. Een rechtshandeling die door een orgaan van de toegelaten instelling wordt verricht na de uitspraak van de rechtbank en voor het tijdstip waarop degenen die bij die rechtshandeling een belang hebben voor het eerst van die uitspraak kennis kunnen nemen, is geldig. Het tijdstip, bedoeld in de eerste volzin, is de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin een uittreksel van die uitspraak is bekendgemaakt.

Artikel 70h
1. De leden van de organen van de toegelaten instelling en de personen die voor haar werkzaamheden verrichten, verlenen alle door de bewindvoerders gevraagde medewerking.
2. Indien meer dan een bewindvoerder is benoemd, is voor de geldigheid van hun handelingen toestemming van de meerderheid of, bij staking van stemmen, een beslissing van de president van de rechtbank vereist.
3. De rechtbank kan te allen tijde een bewindvoerder ontslaan en hem door een andere bewindvoerder vervangen, dan wel aan hem een of meer bewindvoerders toevoegen, een en ander ambtshalve dan wel op verzoek van die bewindvoerder zelf, van een of meer andere bewindvoerders of van Onze Minister.
4. De bewindvoerders brengen tijdens de uitoefening van hun bevoegdheden telkens na verloop van drie maanden, alsmede na beëindiging daarvan, zo spoedig mogelijk verslag over hun werkzaamheden uit aan de rechtbank en Onze Minister.

Artikel 70i
1. Het bewind eindigt twee jaar na de uitspraak van de rechtbank waarbij de betrokken toegelaten instelling onder bewind is gesteld. Het bewind eindigt voorts met onmiddellijke ingang na het onherroepelijk worden van een benoeming van een of meer bewindvoerders in een aan de betrokken toegelaten instelling verleende surseance van betaling of van een of meer curatoren in haar faillissement.
2. Indien naar het oordeel van Onze Minister voor het tijdstip, genoemd in de eerste volzin van het eerste lid, de voorwaarden zijn geschapen waaronder de toelating niet langer ernstige schade aan het belang van de volkshuisvesting berokkent en niet op korte termijn ernstige schade aan dat belang zal berokkenen, verzoekt hij de rechtbank het bewind op te heffen. Bij zijn besluit waarbij het bewind wordt opgeheven, ontslaat de rechtbank de bewindvoerders.
Artikel 70j
1. Verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid en stichtingen, die mede in het belang van de volkshuisvesting werkzaam zijn, kunnen bij koninklijk besluit als toegelaten instelling worden toegelaten.
2. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere voorschriften gegeven omtrent de toelating, weigering en intrekking van de toelating, alsmede omtrent de werkzaamheden van en het toezicht op instellingen als bedoeld in het eerste lid.
3. De artikelen 70, tweede, derde en vierde lid, 70a, 70b, 70d tot en met 70i en 105 zijn voorzover mogelijk van toepassing.

Artikel 70k
Een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in de artikelen 70, 70c, 70d en 70j treedt niet eerder in werking dan twee maanden na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin hij is geplaatst. Van de plaatsing wordt onverwijld mededeling gedaan aan de beide kamers der Staten-Generaal.

Afdeling 3A. Het Centraal Fonds voor de Volkshuisvesting

Artikel 71
Er is een Centraal Fonds voor de Volkshuisvesting. Het Centraal Fonds voor de Volkshuisvesting bezit rechtspersoonlijkheid. Het is gevestigd te 's-Gravenhage.

Artikel 71a
1. Het fonds:
a. verstrekt subsidie aan toegelaten instellingen ter bevordering van de sanering van toegelaten instellingen die niet beschikken over de noodzakelijk te achten financiële middelen, of, volgens bij algemene maatregel van bestuur gegeven voorschriften, ter tegemoetkoming in de kosten van werkzaamheden van toegelaten instellingen, en
b. verricht taken in het kader van het toezicht op toegelaten instellingen, voorzover die taken bij algemene maatregel van bestuur zijn aangegeven, welke taken de financiële aspecten van de werkzaamheden van die instellingen betreffen en tot welke taken kan behoren het aan Onze Minister verschaffen van inzicht in de financiële situatie van die instellingen gezamenlijk.
2. Uit het fonds worden geen garanties verleend.
3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voorschriften worden gegeven omtrent maatregelen die het fonds jegens toegelaten instellingen kan nemen bij het door hen niet nakomen van een jegens het fonds bestaande verplichting. 4. Onze Minister informeert beide kamers der Staten-Generaal over het hem verschafte inzicht in de financiële situatie, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b.
Artikel 71b
1. Het fonds stelt jaarlijks voor 1 december beleidsregels vast, waarin wordt bepaald op welke wijze het fonds uitvoering geeft aan artikel 71a en de daarop berustende algemene maatregelen van bestuur. De beleidsregels zijn van toepassing op het eerstvolgende kalenderjaar. Het fonds doet een afschrift van de beleidsregels aan Onze Minister toekomen.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere voorschriften worden gegeven omtrent de inhoud en de bekendmaking van de in het eerste lid bedoelde beleidsregels.

Artikel 71c
1. Het bestuur van het fonds bestaat met inbegrip van de voorzitter uit ten minste drie en ten hoogste vijf leden. Onze Minister benoemt de voorzitter en de andere bestuursleden.
2. De bestuursleden worden, behoudens tussentijds ontslag, benoemd voor de tijd van ten hoogste vier jaar.
3. De bestuursleden kunnen te allen tijde ontslag nemen door een schriftelijke kennisgeving aan Onze Minister. Degene die in het bestuur is benoemd ter vervulling van een tussentijds opengevallen plaats treedt af op het tijdstip waarop degene in wiens plaats de benoeming is geschied had moeten aftreden.
4. Onverenigbaar met het bestuurslidmaatschap van het fonds zijn:
a. het lidmaatschap van een orgaan van, en een functie bij, een toegelaten instelling of een organisatie die zich ten doel heeft gesteld de belangen van toegelaten instellingen te behartigen;
b. het lidmaatschap van een college van burgemeester en wethouders of van een orgaan van een organisatie die zich ten doel heeft gesteld de belangen van gemeenten te behartigen;
c. een functie als ambtenaar bij een ministerie en
d. een functie als ambtenaar bij een gemeente, een functie bij een organisatie als bedoeld in onderdeel b, een functie bij een financiële instelling en enige andere functie, indien de aan de betrokken functie verbonden werkzaamheden meebrengen dat een betrokkenheid ontstaat of kan ontstaan bij de werkzaamheden van het fonds of bij de ontwikkeling of de uitvoering van het rijksbeleid op het gebied van de volkshuisvesting.

Artikel 71d
1. Het fonds stelt een bestuursreglement vast.
2. Het bestuursreglement en elke wijziging daarvan behoeft de goedkeuring van Onze Minister. Onze Minister kan het bestuursreglement gedeeltelijk goedkeuren of aan de goedkeuring voorwaarden verbinden.
3. Indien Onze Minister het voornemen heeft aan het bestuursreglement geheel of gedeeltelijk goedkeuring te onthouden, dan wel voorwaarden aan de goedkeuring te verbinden, stelt hij het fonds daarvan in kennis en stelt hij het in de gelegenheid binnen ten hoogste vier weken na die kennisgeving wijzigingen in het bestuursreglement aan te brengen.

Artikel 71e
1. De middelen van het fonds worden gevormd door de bijdragen, bedoeld in het tweede lid, en andere inkomsten.
2. Elke toegelaten instelling die op 1 januari van een kalenderjaar als zodanig bestaat, is over dat kalenderjaar een bijdrage aan het fonds verschuldigd. Het fonds bepaalt de hoogte van de bijdrage volgens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te geven voorschriften. Het besluit tot bepaling van de hoogte van de bijdrage behoeft de instemming van Onze Minister.
3. Onze Minister kan, indien hij van oordeel is dat het fonds op de in het tweede lid bedoelde datum over voldoende financiële middelen zal beschikken om zonder storting van een bijdrage als bedoeld in dat lid ten minste een jaar uitvoering te geven aan artikel 71a, eerste lid, voor die datum bepalen dat een zodanige bijdrage niet verschuldigd is over het jaar waarin die datum valt.

Artikel 71f
1. Het fonds stelt jaarlijks voor 1 november een begroting vast voor het volgende kalenderjaar. De begroting wordt niet vastgesteld dan nadat Onze Minister daarmee heeft ingestemd. De artikelen 10:28 tot en met 10:31 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.
2. Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften omtrent de inrichting van de begroting worden gegeven.

Artikel 71g
1. Het fonds brengt jaarlijks voor 1 juli aan Onze Minister een financieel verslag over het afgelopen kalenderjaar uit, dat vergezeld gaat van een verklaring omtrent de getrouwheid van de jaarrekening en de rechtmatigheid van de gedane uitgaven, afgegeven door een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
2. Het fonds stelt de in het eerste lid genoemde stukken algemeen verkrijgbaar. 3. Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gegeven omtrent het financiële verslag en de accountantscontrole.

Artikel 71h
Het fonds stelt jaarlijks voor 1 juli een verslag op van de werkzaamheden, het gevoerde beleid in het algemeen en de doelmatigheid en doeltreffendheid van zijn werkzaamheden en werkwijze in het bijzonder in het afgelopen kalenderjaar. Het verslag wordt aan Onze Minister toegezonden en algemeen verkrijgbaar gesteld.

Artikel 71i
Het fonds verstrekt desgevraagd aan Onze Minister de voor de uitoefening van zijn taak benodigde inlichtingen. Onze Minister kan inzage vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden, voorzover dat voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig is.

Artikel 71j
1. De rechtspositie van het personeel van het fonds is in overeenstemming met de regels die gelden voor ambtenaren die zijn aangesteld bij ministeries, met dien verstande dat waar in deze regels een bevoegdheid is toegekend aan een andere minister dan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, deze bevoegdheid wordt uitgeoefend door het bestuur van het fonds.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden afgeweken van de in het eerste lid bedoelde regels.

Artikel 71k
1. Indien naar het oordeel van Onze Minister het fonds ernstig in gebreke blijft of op korte termijn ernstig in gebreke zal blijven bij het verrichten van zijn taken, kan hij het bestuur van het fonds schorsen of ontslaan, in welke gevallen hij in vervanging van het geschorste of ontslagen bestuur voorziet, met dien verstande dat een schorsing niet langer duurt dan noodzakelijk is om de voorwaarden te scheppen waaronder het fonds naar het oordeel van Onze Minister zijn taken weer naar behoren kan verrichten.
2. Indien en zolang een geschorst of ontslagen bestuur niet kan worden vervangen, verricht Onze Minister de taken van het fonds, in welk geval:
a. dit geschiedt op kosten van het fonds en
b. Onze Minister dit onverwijld meedeelt aan de beide kamers der Staten-Generaal.

Artikel 71l
Onze Minister zendt zo spoedig mogelijk na 1 januari 2002 en vervolgens telkens na vier jaar aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en doelmatigheid van het functioneren van het fonds.

Artikel 72 [Vervallen per 04-02-2000]

Artikel 73
Een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in de artikelen 71a, 71b en 71e, treedt niet eerder in werking dan twee maanden na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin hij is geplaatst. Van de plaatsing wordt onverwijld mededeling gedaan aan de beide kamers der Staten-Generaal.

Afdeling 4. Voorzieningen in het belang van de volkshuisvesting vanwege de gemeente of de provincie

Artikel 74 [Vervallen per 01-01-1998]

Artikel 75
1.
Burgemeester en wethouders kunnen, ingeval dit noodzakelijk is voor het naar behoren uitvoeren van deze wet, besluiten rechtstreeks van gemeentewege voorzieningen in het belang van de volkshuisvesting te treffen.
2. Indien ter uitvoering van het eerste lid van gemeentewege woningen, woonwagens of standplaatsen worden gebouwd, geschiedt dit slechts, indien aannemelijk is, dat door het bouwen van woningen, woonwagens of standplaatsen door toegelaten instellingen niet voldoende in de woningbehoefte zal worden voorzien.

Artikel 76 [Vervallen per 01-01-1998]

Artikel 77 [Vervallen per 01-01-1998]

Artikel 78 [Vervallen per 01-01-1998]

Artikel 79 [Vervallen per 01-01-1994]

Artikel 80
1.
Indien blijkt, dat in een gemeente onvoldoende wordt voorzien in de volkshuisvesting, kan bij koninklijk besluit, gedeputeerde staten gehoord, de gemeenteraad onderscheidenlijk burgemeester en wethouders of het bevoegde gezag van een samenwerkingsverband van gemeenten worden verplicht de in dat besluit aangegeven voorzieningen in het belang van de volkshuisvesting te treffen.
2. Indien blijkt, dat in een provincie onvoldoende wordt voorzien in de volkshuisvesting, kunnen bij koninklijk besluit, de inspecteur gehoord, provinciale staten of gedeputeerde staten worden verplicht de in dat besluit aangegeven voorzieningen in het belang van de volkshuisvesting te treffen.
3. Bij het in het eerste en tweede lid bedoelde besluit kan worden bepaald op welke wijze en binnen welke termijn aan dat besluit moet worden voldaan.
4. Indien de gemeenteraad onderscheidenlijk burgemeester en wethouders of het bevoegde gezag van het samenwerkingsverband van gemeenten niet binnen de in het derde lid bedoelde termijn heeft voldaan aan het in het eerste lid bedoelde besluit, geven gedeputeerde staten uitvoering aan dat besluit op kosten van de gemeente of het samenwerkingsverband van gemeenten.
5. Indien provinciale staten of gedeputeerde staten niet binnen de in het derde lid bedoelde termijn hebben voldaan aan het in het tweede lid bedoelde besluit, geeft Onze Minister uitvoering aan dat besluit op kosten van de provincie.
6. Indien hetgeen ingevolge het derde lid is bepaald, niet strookt met de voorschriften van enige plaatselijke, regionale of provinciale verordening, blijven die voorschriften buiten toepassing.

Afdeling 5. Verstrekking van geldelijke steun uit ’s Rijks kas

Artikel 81
1. Uit 's Rijks kas kunnen aan gemeenten, plusregio’s als bedoeld in artikel 104 van de Wet gemeenschappelijke regelingen of provincies financiële middelen worden verstrekt voor andere activiteiten dan die waarvoor ingevolge de Wet stedelijke vernieuwing subsidie kan worden verleend, voorzover deze activiteiten passen in het rijksbeleid met betrekking tot het bouwen, het wonen en de woonomgeving.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden voorschriften gegeven omtrent het verstrekken van financiële middelen, bedoeld in het eerste lid.
3. Bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het tweede lid, kunnen voorschriften worden gegeven omtrent het door provincies overdragen van krachtens het tweede lid aan hen toegekende bevoegdheden en verplichtingen aan een gemeente of aan een plusregio. De voorschriften betreffen in elk geval: a. het geval waarin een provincie bevoegdheden en verplichtingen al dan niet dient over te dragen;
b. de gehoudenheid van een provincie uitvoering te geven aan een door Onze Minister gegeven aanwijzing ter zake van een overdracht als bedoeld in onderdeel a, binnen een in die aanwijzing bepaalde termijn, en
c. de wijze waarop in geval van overdracht verantwoording aan Onze Minister wordt afgelegd.
4. Bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het tweede lid, kan worden bepaald dat de gemeenteraad, het algemeen bestuur van een plusregio of provinciale staten voorschriften geeft of geven omtrent het door burgemeester en wethouders, het dagelijks bestuur van een plusregio of gedeputeerde staten verstrekken van subsidie ten laste van de uit ’s Rijks kas aan hen verstrekte financiële middelen voor de activiteiten, bedoeld in het eerste lid.
5. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen ter bevordering van eenheid in de voorschriften, bedoeld in het vierde lid, regelen worden gegeven omtrent de inhoud van die voorschriften.
6. De gemeenteraad, het algemeen bestuur van een plusregio of provinciale staten brengen de door hen gegeven voorschriften, bedoeld in het vierde lid, binnen zes maanden na het van kracht worden van de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het vijfde lid, in overeenstemming met de bij die algemene maatregel van bestuur gegeven voorschriften.

Artikel 82
1. Uit 's Rijks kas kan aan anderen dan gemeenten, plusregio's als bedoeld in artikel 104 van de Wet gemeenschappelijke regelingen of provincies subsidie worden verstrekt voor andere activiteiten dan die waarvoor ingevolge de artikelen 19 en 20 van de Wet stedelijke vernieuwing subsidie kan worden verleend, voorzover deze activiteiten passen in het rijksbeleid met betrekking tot het bouwen, het wonen en de woonomgeving.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden voorschriften gegeven omtrent het verstrekken van subsidie, bedoeld in het eerste lid. De voorschriften betreffen in ieder geval:
a. de doeleinden waarvoor de subsidie kan worden verstrekt;
b. degenen aan wie de subsidie kan worden verstrekt;
c. de wijze van aanvragen van de subsidie;
d. de bij de subsidie-aanvraag over te leggen gegevens en bescheiden;
e. de termijnen voor de beslissing op de subsidie-aanvraag;
f. de gronden om geen subsidie te verstrekken;
g. de voorwaarden waaronder de subsidie wordt verstrekt;
h. de verplichtingen van de subsidie-ontvanger;
i. de totstandkoming van het subsidiebedrag;
j. de termijnen voor de beslissing omtrent de subsidievaststelling;
k. de vaststelling van het subsidieplafond en
l. de wijze van verdeling van het beschikbare bedrag.

Artikel 83
Een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in de artikelen 81 en 82, treedt niet eerder in werking dan twee maanden na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin hij is geplaatst. Van de plaatsing wordt onverwijld mededeling gedaan aan de beide kamers der Staten-Generaal.

Artikel 84
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voorschriften worden gegeven omtrent het door burgemeester en wethouders, gedeputeerde staten en het dagelijks bestuur van een samenwerkingsverband van gemeenten verstrekken van voor het verstrekken van financiële middelen van belang zijnde gegevens. De financiële gevolgen van het verstrekken van die gegevens worden niet gecompenseerd.

Artikel 85 [Vervallen per 01-01-1998]

Artikel 86
Gegevens betreffende de door het Rijk verstrekte financiële middelen en subsidie worden jaarlijks op een door Onze Minister te bepalen wijze bekend gemaakt.

Artikel 87 [Vervallen per 01-12-2000]

Artikel 88
1. Alle stukken, opgemaakt ter uitvoering van de afdelingen 4 en 5 van dit hoofdstuk, voor zover die stukken betrekking hebben op bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gegeven categorieën van woningen, standplaatsen of woonwagens, zijn vrij van legesheffing, van de kosten van legalisatie en van griffiekosten.
2. De in het eerste lid bedoelde vrijdom van legesheffing geldt niet ten aanzien van bij de in dat lid bedoelde algemene maatregel van bestuur aangewezen vormen van legesheffing. Bij die algemene maatregel van bestuur kunnen ter zake nadere voorschriften worden gegeven.

Hoofdstuk VI. Het toezicht op de volkshuisvesting

Artikel 89 [Vervallen per 21-02-1997]

Artikel 89a [Vervallen per 21-02-1997]

Artikel 89b [Vervallen per 21-02-1997]

Artikel 89c [Vervallen per 21-02-1997]

Artikel 90 [Vervallen per 21-02-1997]

Artikel 91 [Vervallen per 21-02-1997]

Artikel 91a [Vervallen per 21-02-1997]

Artikel 91b [Vervallen per 21-02-1997]

Artikel 92 [Vervallen per 21-02-1997]

Artikel 92a [Vervallen per 21-02-1997]

Artikel 92b [Vervallen per 21-02-1997]

Artikel 92c [Vervallen per 21-02-1997]

Artikel 92d [Vervallen per 21-02-1997]

Artikel 92e [Vervallen per 21-02-1997]

Artikel 92f [Vervallen per 21-02-1997]

Artikel 92g [Vervallen per 21-02-1997]

Afdeling 1. Het toezicht van rijks- en provinciewege

Artikel 93
1. Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze wet bepaalde zijn belast de bij besluit van Onze Minister aangewezen ambtenaren.
2. Van een besluit als bedoeld in het eerste lid, wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.

Artikel 94
1.
Met het toezicht op de uitvoering en de handhaving van het bij of krachtens deze wet bepaalde zijn belast de bij besluit van Onze Minister aangewezen ambtenaren.
2. De artikelen 5:13, 5:15, 5:16, 5:17 en 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.
3. Onze Minister kan bij ministeriële regeling bepalen dat bestuursorganen die met de uitvoering of de handhaving van het bij of krachtens deze wet bepaalde zijn belast, daarbij aan te geven gegevens verstrekken aan de krachtens het eerste lid aangewezen ambtenaren. Bij de regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het tijdstip waarop, de frequentie waarmee en de vorm waarin de gegevens worden verstrekt. Tevens kan bij de regeling worden bepaald dat daarbij gestelde regels slechts gelden in daarbij aangegeven gevallen.

Artikel 95
1. Tegelijkertijd met of zo spoedig mogelijk na de bekendmaking zenden burgemeester en wethouders aan de inspecteur een afschrift van elke verordening, elk besluit of elk aan de raad overlegd verslag, de volkshuisvesting betreffende. De financiële gevolgen van het zenden van die afschriften worden niet gecompenseerd.
2. Burgemeester en wethouders geven aan de inspecteur alle door deze verlangde inlichtingen omtrent de naleving van de wetten en de krachtens die wetten gegeven voorschriften op het gebied van de volkshuisvesting.

Artikel 96
1. Met het toezicht op de uitvoering van het bij of krachtens deze wet bepaalde zijn tevens belast de bij besluit van de commissaris van de Koning aangewezen personen.
2. De artikelen 5:13, 5:15, 5:16, 5:17 en 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.

Afdeling 1a. Sluiting van gebouwen, open erven en terreinen door burgemeester en wethouders

Artikel 97
1. Indien overtreding van de bij of krachtens hoofdstuk I, II, III, of IV gegeven voorschriften met betrekking tot de staat of het gebruik van een gebouw, open erf of terrein gepaard gaat met een bedreiging van de leefbaarheid of een gevaar voor de veiligheid of de gezondheid, en er een klaarblijkelijk gevaar is op herhaling van de overtreding, kunnen burgemeester en wethouders besluiten dat gebouw, dat open erf of dat terrein te sluiten. De artikelen 5:24, vierde lid, en 5:25 tot en met 5:28 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.
2. Burgemeester en wethouders bepalen in het besluit, bedoeld in het eerste lid, de duur van de sluiting en doen dat besluit zo spoedig mogelijk inschrijven in de openbare registers, bedoeld in artikel 16 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek. Artikel 24 van dat boek is niet van toepassing.

Artikel 97a [Vervallen per 25-02-2005]

Artikel 98 [Vervallen per 25-02-2005]

Artikel 99 [Vervallen per 25-02-2005]

Afdeling 2. Gemeentelijk bouw- en woningtoezicht

Artikel 100
1.
Burgemeester en wethouders voorzien in het bouw- en woningtoezicht, dat in elk geval tot taak heeft:
a. het onderzoeken van de staat van de volkshuisvesting in de gemeente, waaronder begrepen het wonen in woonwagens op standplaatsen, en het aangeven van middelen tot verbetering daarvan;
b. het binnen de gemeente uitoefenen van toezicht op de naleving van de bij of krachtens deze wet gegeven voorschriften en
c. het verrichten van andere werkzaamheden in verband met de uitvoering van deze wet.
2. Met de in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde taak zijn belast de bij besluit van burgemeester en wethouders aangewezen ambtenaren.
3. Toepassing van bestuursdwang bestaande uit het stilleggen van bouw- of sloopwerkzaamheden indien wordt gebouwd of gesloopt in strijd met de bij of krachtens deze wet gegeven voorschriften, vindt slechts plaats in bij de bouwverordening aangewezen gevallen en overeenkomstig daarbij gegeven voorschriften.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voorschriften worden gegeven omtrent het uitoefenen van toezicht op de naleving van de bij of krachtens de in artikel 2 bedoelde algemene maatregel van bestuur gegeven voorschriften.
5. De krachtens het tweede lid aangewezen ambtenaren zijn bevoegd met medeneming van de benodigde apparatuur een woning binnen te treden zonder toestemming van de bewoner.

Hoofdstuk VII. Voorzieningen in geval van buitengewone omstandigheden

Artikel 101
1. Onverminderd de artikelen 7, eerste lid, en 8, eerste lid, van de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden kunnen, ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken, bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, de artikelen 101a, 102, en 103 gezamenlijk in werking worden gesteld.
2. Wanneer het in het eerste lid bedoelde besluit is genomen wordt onverwijld een voorstel van wet aan de Tweede Kamer gezonden omtrent het voortduren van de werking van de bij dat besluit in werking gestelde bepalingen.
3. Wordt het voorstel van wet door de Staten-Generaal verworpen, dan worden bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, de bepalingen die ingevolge het eerste lid in werking zijn gesteld, onverwijld buiten werking gesteld.
4. Bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, worden bepalingen die ingevolge het eerste lid in werking zijn gesteld, buiten werking gesteld, zodra de omstandigheden dit naar Ons oordeel toelaten.
5. Het besluit, bedoeld in het eerste, derde en vierde lid, wordt op de daarin te bepalen wijze bekendgemaakt. Het treedt in werking terstond na de bekendmaking.
6. Het besluit, bedoeld in het eerste, derde en vierde lid, wordt in ieder geval geplaatst in het Staatsblad.

Artikel 101a
Indien schaarste dreigt te ontstaan dan wel bestaat aan arbeidskrachten, geldmiddelen of materialen, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur, zo nodig in afwijking van de in de hoofdstukken III, IV en V vervatte bepalingen, voorschriften worden gegeven omtrent de toepassing van die bepalingen.

Artikel 102
1. Indien toepassing wordt gegeven aan artikel 101a, stelt Onze Minister, in overeenstemming met Onze andere Ministers wie het mede aangaat, overeenkomstig de bij of krachtens de in dat artikel bedoelde algemene maatregel van bestuur gegeven voorschriften, een plan vast, waarin is aangegeven aan welke werken op het gebied van de burgerlijke of utiliteitsbouw, grond-, water- of wegenbouw of op enig ander gebied de bouwnijverheid betreffende, in het eerstkomende jaar uitvoering kan worden gegeven.
2. Het in het eerste lid bedoelde plan wordt zo spoedig mogelijk nadat dit is vastgesteld, door Onze Minister aan de Staten-Generaal verstrekt.

Artikel 103
1. Bij de in artikel 101a bedoelde algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald, dat het verboden is zonder of in afwijking van toestemming van Onze Minister en, voor zover van toepassing, Onze Minister die het mede aangaat, als opdrachtgever, architect, bouwondernemer, aannemer of uitvoerder betrokken te zijn bij het uitvoeren van bouwwerken als bedoeld in artikel 102, eerste lid.
2. Onze Minister kan, voor zover van toepassing te zamen met Onze Minister die het mede aangaat, al of niet onder voorwaarden ontheffing verlenen van het in het eerste lid bedoelde verbod.

Hoofdstuk VIII. Dwang- en strafbepalingen

Artikel 104
Indien toepassing van bestuursdwang ter handhaving van de bij of krachtens deze wet gegeven voorschriften leidt tot het slopen van een bouwwerk, worden de overblijvende materialen door burgemeester en wethouders in het openbaar verkocht, tenzij, naar redelijkerwijs is te verwachten, bij onderhandse verkoop een hogere opbrengst kan worden verkregen. De opbrengst wordt, na aftrek van de kosten van het slopen en van de verkoop, aan de rechthebbende uitgekeerd.
Artikel 105
1.
Onze Minister kan aan een toegelaten instelling die in strijd handelt met het bepaalde bij of krachtens artikel 70, 70a of 70c, of met een maatregel als bedoeld in artikel 70d, tweede lid, tweede volzin, onderdeel a, b of c, een last onder dwangsom opleggen.
2. De artikelen 5:32, tweede tot en met vijfde lid, en 5:33 tot en met 5:35 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van toepassing.
3. Dwangsommen die zijn verbeurd door toepassing van het eerste lid worden gestort in het Centraal Fonds voor de Volkshuisvesting.

Artikel 105a
Overtreding van artikel 16a, vijfde lid, eerste volzin, wordt gestraft met geldboete van de eerste categorie.

Artikel 106
Degene, die wederrechtelijk het kenteken, bedoeld in artikel 31, wegneemt, vernielt of beschadigt, wordt gestraft met geldboete van de tweede categorie.

Artikel 107
Overtreding van de artikelen 21, eerste lid, 32, 36, derde lid, 43 of 45, zesde lid, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste vier maanden of geldboete van de tweede categorie.

Artikel 108
Overtreding van artikel 40 wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie.

Artikel 109
Overtreding van de artikelen 60 of 61 wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste vier maanden of geldboete van de derde categorie.

Artikel 110
1. Behoudens het tweede lid, wordt overtreding van voorschriften, die ter uitvoering van deze wet zijn gegeven, voor zover de overtreding van die voorschriften uitdrukkelijk als strafbaar feit is aangeduid, gestraft met hechtenis van ten hoogste vier maanden of geldboete van de derde categorie.
2. Overtreding van een krachtens artikel 120 gegeven voorschrift, voor zover de overtreding van dat voorschrift uitdrukkelijk als strafbaar feit is aangeduid, is een economisch delict in de zin van de Wet op de economische delicten en wordt opgespoord, vervolgd en berecht overeenkomstig die wet.

Artikel 111
De in de artikelen 105a tot en met 110 bedoelde strafbare feiten zijn overtredingen.

Artikel 112
Overtreding van artikel 103 is een economisch delict in de zin van de Wet op de economische delicten en wordt opgespoord, vervolgd en berecht overeenkomstig die wet.

Artikel 113
1. Met de opsporing van de bij de artikelen 105a tot en met 110, eerste lid, strafbaar gestelde feiten zijn, onverminderd artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering, belast:
a. de bij besluit van Onze Minister aangewezen ambtenaren;
b. de door de burgemeester aangewezen ambtenaren, belast met de in artikel 100, eerste lid, bedoelde taak.
2. Deze ambtenaren zijn tevens belast met de opsporing van de feiten, strafbaar gesteld in de artikelen 179 tot en met 182 en 184 van het Wetboek van Strafrecht, voor zover deze feiten betrekking hebben op een bevel, vordering of handeling, gedaan of ondernomen door henzelf.
3. Van een besluit als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.

Artikel 114
Bij het opsporen van een strafbaar feit als bedoeld in de artikelen 105a tot en met 110, eerste lid, hebben de in artikel 113 bedoelde ambtenaren en personen toegang tot elke plaats, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is.

Artikel 115
Ambtenaren, belast met de opsporing van delicten als bedoeld in artikel 112, kunnen, indien een bouwwerk als bedoeld in artikel 103, eerste lid, wordt uitgevoerd zonder of in afwijking van de in dat lid bedoelde toestemming, vorderen dat het werk wordt stilgelegd. Zo nodig leggen zij deze vordering met behulp van de sterke arm ten uitvoer.

Hoofdstuk IX. Slot- en overgangsbepalingen

Artikel 116
Op de gezamenlijke voordracht van Onze Minister en van Onze Minister die het mede aangaat, kan bij koninklijk besluit worden bepaald, dat deze wet niet van toepassing is op een in dat besluit aan te wijzen werk ten behoeve van de landsverdediging.

Artikel 117 [Vervallen per 01-01-1994]

Artikel 118
Indien de bekendmaking van beschikkingen op grond van deze wet niet kan geschieden op de wijze als voorzien in artikel 3:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, geschiedt zij door openbare bekendmaking op het perceel waarop de beschikking betrekking heeft.

Artikel 119 [Vervallen per 25-02-2005]

Artikel 119a [Vervallen per 25-02-2005]

Artikel 120
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voorschriften worden gegeven met het oog op de nakoming van voor Nederland verbindende internationale verplichtingen die betrekking hebben op of samenhangen met onderwerpen waarin bij of krachtens deze wet is voorzien.

Artikel 120a
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat Onze Minister bij wege van experiment tijdelijk van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gegeven voorschriften kan afwijken of een zodanige afwijking kan toestaan.
2. Indien toepassing wordt gegeven aan het eerste lid, wordt in ieder geval bepaald:
a. de wijze waarop tot een keuze voor experimenten als bedoeld in het eerste lid wordt gekomen;
b. de ten hoogste toegestane tijdsduur van een afwijking als bedoeld in het eerste lid en
c. de wijze waarop tot de vaststelling wordt gekomen of een experiment als bedoeld in het eerste lid zodanig geslaagd is, dat het wettelijk voorschrift waarvan bij wege van dat experiment is afgeweken zou moeten worden gewijzigd.

Artikel 120b [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Artikel 121
De bevoegdheid, de gemeenteraad toekomende overeenkomstig artikel 149 van de Gemeentewet, mag niet worden uitgeoefend ten aanzien van de onderwerpen waarin is voorzien bij of krachtens de algemene maatregelen van bestuur, bedoeld in:
a. artikel 12a, vierde lid;
b. artikel 40a, eerste lid;
c. artikel 43, eerste lid, onderdeel c;
d. artikel 44, tweede lid;
e. artikel 70c, tweede lid, eerste volzin, voorzover die algemene maatregel van bestuur betrekking heeft op toegelaten instellingen;
f. artikel 100, vierde lid.

Artikel 122
De gemeente kan geen rechtshandelingen naar burgerlijk recht verrichten ten aanzien van de onderwerpen waarin bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 2, en in hoofdstuk IV van deze wet is voorzien.

Artikel 123
Ten aanzien van het onderwerp waarin de aansluitvoorwaarden voorzien, voor zover daarnaar met toepassing van artikel 3, tweede lid, is verwezen, kunnen geen andere voorschriften van bouwtechnische aard worden gesteld.

Artikel 124
[Wijzigt de Woningwet 1962.]

Artikel 125
De intrekking van de Woningwet van 12 juli 1962 heeft geen gevolgen voor de geldigheid van de krachtens die wet bij koninklijk besluit dan wel door Onze Minister gegeven voorschriften, tenzij krachtens deze wet anders is bepaald.

Artikel 126
1.
Gedurende ten hoogste een jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van hoofdstuk II, afdeling 2, blijft de op grond van de Woningwet van 12 juli 1962 geldende gemeentelijke bouwverordening, voor zover deze niet in strijd is met de bij of krachtens deze wet gegeven voorschriften, van kracht en geldt deze als de bouwverordening, genoemd in artikel 8.
2. De bouwverordening, genoemd in artikel 8, wordt vastgesteld binnen zes maanden na het tijdstip van inwerkingtreding van hoofdstuk II, afdeling 2.

Artikel 127
1. Aanschrijvingen die op grond van de Woningwet van 12 juli 1962 zijn uitgevaardigd en waartegen geen beroep meer kan worden ingesteld, gelden als aanschrijvingen als bedoeld in deze wet.
2. Aanschrijvingen die op grond van de Woningwet van 12 juli 1962 zijn uitgevaardigd en waartegen nog beroep kan worden ingesteld dan wel beroep is ingesteld, worden afgedaan overeenkomstig genoemde wet en gelden als aanschrijvingen als bedoeld in deze wet.

Artikel 128
1. Besluiten tot onbewoonbaarverklaring die op grond van de Woningwet van 12 juli 1962 zijn genomen en waartegen geen beroep meer kan worden ingesteld, gelden als beslissingen tot onbewoonbaarverklaring als bedoeld in deze wet.
2. Besluiten tot onbewoonbaarverklaring die op grond van de Woningwet van 12 juli 1962 zijn genomen en waartegen nog beroep kan worden ingesteld dan wel beroep is ingesteld, worden afgedaan overeenkomstig genoemde wet en gelden als beslissingen tot onbewoonbaarverklaring als bedoeld in deze wet.

Artikel 129
1.
Verzoeken om toestemming als bedoeld in artikel 46 van de Woningwet van 12 juli 1962, alsmede enig beroep, ingesteld tegen een beslissing omtrent een dergelijk verzoek, worden afgedaan overeenkomstig genoemde wet. Verzoeken als bedoeld in dit lid, gelden als aanvragen om vergunning als bedoeld in artikel 61.
2. Toestemmingen als bedoeld in artikel 46 van de Woningwet van 12 juli 1962, waartegen geen beroep meer kan worden ingesteld, gelden als vergunningen als bedoeld in artikel 61.

Artikel 130
1. Aanvragen om bouwvergunning als bedoeld in artikel 47, eerste lid, van de Woningwet van 12 juli 1962, alsmede enig beroep, ingesteld tegen een beslissing omtrent een dergelijke aanvraag, worden afgedaan overeenkomstig genoemde wet. Aanvragen als bedoeld in dit lid, gelden als aanvragen om bouwvergunning als bedoeld in artikel 40, eerste lid.
2. Bouwvergunningen als bedoeld in artikel 47, eerste lid, van de Woningwet van 12 juli 1962, waartegen geen beroep meer kan worden ingesteld, gelden als bouwvergunningen als bedoeld in artikel 40, eerste lid.

Artikel 131
1. Aanvragen om woonvergunning als bedoeld in artikel 55 van de Woningwet van 12 juli 1962, alsmede enig beroep, ingesteld tegen een beslissing omtrent een dergelijke aanvraag, worden afgedaan overeenkomstig genoemde wet. Aanvragen als bedoeld in dit lid, gelden als aanvragen om woonvergunning als bedoeld in artikel 60.
2. Woonvergunningen als bedoeld in artikel 55 van de Woningwet van 12 juli 1962, waartegen geen beroep meer kan worden ingesteld, gelden als woonvergunningen als bedoeld in artikel 60.

Artikel 132
Overtredingen van bij of krachtens de Woningwet van 12 juli 1962 gegeven voorschriften worden afgedaan overeenkomstig genoemde wet.

Artikel 133
Een overeenkomstig de Woonwagenwet op een standplaats geplaatste woonwagen dan wel een woonwagen waarvan de plaatsing op een standplaats wordt gedoogd op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, is een woonwagen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e , tot het tijdstip waarop die woonwagen wordt vervangen.

Artikel 134
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]

Artikel 135
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]

Artikel 136
De Wederopbouwwet (Stb. 1950, 236) wordt ingetrokken.

Artikel 137
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]

Artikel 138
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]

Artikel 139 [Vervallen per 01-03-1999]

Artikel 140
De Wet van 11 maart 1978, houdende wijziging van de Woningwet inzake aanschrijving tot verbetering van woningen (Stb. 143) wordt ingetrokken.

Artikel 141
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]

Artikel 142
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]

Artikel 143
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]

Artikel 144
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]

Artikel 145
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]

Artikel 146
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]

Artikel 147
De Wet geldelijke steun woonwagens (Stb. 1986, 264) wordt ingetrokken.

Artikel 148
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]

Artikel 149
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]

Artikel 150
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]

Artikel 151
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]

Artikel 152
Waar in voorschriften, gegeven bij of krachtens een andere wet dan de in de artikelen 149 tot en met 151 genoemde, wordt verwezen naar een artikel in de Woningwet van 12 juli 1962, wordt deze verwijzing geacht te zijn geschied naar de overeenkomstige bepalingen in deze wet.

Artikel 153
1. De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden gesteld.
2. Bij het in het eerste lid bedoelde besluit kan, voor zover dat besluit voorziet in gedeeltelijke inwerkingtreding van deze wet, in afwijking in zoverre van artikel 124 worden bepaald dat verschillende artikelen of onderdelen van artikelen van de Woningwet van 12 juli 1962 van kracht blijven.
3. Indien toepassing wordt gegeven aan het eerste of tweede lid, kan in hetgeen met het oog op het in werking treden dan wel in stand blijven van de desbetreffende artikelen of onderdelen daarvan regeling behoeft, worden voorzien bij algemene maatregel van bestuur.
4. De Woningwet van 12 juli 1962 wordt vanaf het tijdstip van gehele of gedeeltelijke inwerkingtreding van deze wet aangehaald als Woningwet 1962.
5. Deze wet kan worden aangehaald als Woningwet.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven te 's-Gravenhage, 29 augustus 1991
Beatrix

De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
E. Heerma

Uitgegeven de vijfde september 1991

De Minister van Justitie a.i.,
C. I. Dales

Vind je vaste baan

Al 28 jaar is WR het Werving en Selectie bureau voor vaste banen.