Balans - Deel 4

Dubbel boekhouden
Wat we hiervoor gedaan hebben, noemen we de methode van het dubbel boekhouden. We noemen dit zo omdat we het eigen vermogen op twee manieren kunnen bepalen:
• Aan het eind van een periode kunnen we het eigen vermogen berekenen door van de bezittingen de schulden af te trekken.
Per 8 januari bedraagt het eigen vermogen: € 413.625,- - € 257.500,-= € 156.125,-.
• Aan het eind van de periode kunnen we het eigen vermogen ook bepalen door de oorzaken van de veranderingen van het eigen vermogen te verzamelen:

Begin eigen vermogen 5 januari 20.. € 155.000,-
Bij: brutowinst financieel feit 5 € 4.000,-
Af: interestkosten financieel feit 6 - 875,-
Nettowinst € 3.125,-
Af: privé-opnamen financieel feit 7 - 2.000,-
- 1.125,-
Eind eigen vermogen 8 januari 20.. € 156.125,-

Dus dubbel boekhouden is:
• aantekenen van veranderingen in de samenstelling van het eigen vermogen
• aantekenen van de oorzaken die leiden tot verandering in de grootte van het eigen vermogen.

Resultaat
U ziet dat de balans het eigen vermogen op een bepaald moment aangeeft. Op 5 januari bedroeg het eigen vermogen € 155.000,-, op 8 januari € 156.125,-. Door deze twee balansen te vergelijken kunnen we de verandering van het eigen vermogen vaststellen. Het eigen vermogen is toegenomen met € 1.125,-.
In de boekhouding wordt vastgelegd op welke wijze deze toename tot stand is gekomen.

Door het vastleggen van de opbrengsten en de kosten van de bedrijfsactiviteiten in de boekhouding kunnen we nagaan hoe het bedrijfsresultaat, winst of verlies, in een bepaalde periode tot stand is gekomen. Dit resultaat moet dan nog gecorrigeerd worden met de prive-opname om de uiteindelijke vermogenstoename vast te stellen.

Oefenopgave 4
De heer A. Barendrecht te Leiderdorp heeft per 1 januari 20.. de volgende inventaris opgemaakt van zijn “doe het zelf” winkel:
Winkelpand € 300.000,-
Voorraad goederen € 580.000,-
Winkelinrichting € 150.000,-
Schuld aan leveranciers € 45.000,-
Inventaris € 75.000,-
Auto’s € 50.000,-
Schuld bij de bank € 120.000,-
Hypothecaire schuld € 225.000,-
Tegoed bij de Postbank € 6.000,-
Kasgeld € 4.800,-
Te vorderen van afnemers € 12.200,-

a. Stel de balans per 1 januari 20.. samen.
Let op de namen van de balansposten en de volgorde van de balansposten.

In januari vinden in het bedrijf van Barendrecht de volgende financiële mutaties plaats:
1. Er worden goederen ontvangen ter waarde van € 12.000,- deze goederen zijn op rekening gekocht. De bijbehorende facturen zijn ontvangen.
2. Pas kas verkocht goederen voor € 20.000,-. De goederen hebben een inkoopwaarde van € 15.000,-.
3. Op rekening verkocht goederen voor € 1.600,-. De goederen hebben een inkoopwaarde van € 1.200,-.
4. Het rekeningafschrift van de bank geeft aan dat er een bedrag van € 2.000,- is bijgeschreven wegens betalingen door afnemers en dat er is afgeschreven een bedrag van € 18.000,- wegens betalingen aan leveranciers.
5. Volgens de afrekening van de Postbank is er een bedrag afgeschreven van € 1.500,- wegens betaling van diverse kosten en een bedrag van € 1.800,- wegens privéopnamen.

b. Geef de balans per 31 januari 20.. nadat vorenstaande financiële feiten zijn verwerkt.

c. Hoe groot is het eigen vermogen op 31 januari 20..?

d. Bereken het eigen vermogen op 31 januari 20.. ook door uit te gaan van de oorzaken van de verandering van het eigen vermogen.

Oefenopgave 5
Op het examen wordt de theoretische kennis getoetst met behulp van meerkeuzevragen. Ter oefening vindt u in elk hoofdstuk een aantal meerkeuzevragen.

Opgave 1 Wat wordt in de boekhouding bedoeld met inventariseren?

A. Een berekening maken van de waarde van de kantoorinventaris.
B. Een lijst maken van alle bezittingen en schulden en de waarde daarvan.
C. Een lijst maken met de waarde van alle bezittingen.
D. Een overzicht van de bezittingen, de schulden en het eigen vermogen op één
moment..

Opgave 2 Bart de Groot heeft aan Sylvia Klein goederen op rekening verkocht.
Bart en Sylvia komen elkaar tegen op straat.
Welke bewering is juist?

I. Bart denkt: daar loopt een crediteur van mij.
II. Bart denkt: daar loopt een debiteur van mij.
III. Sylvia denkt: daar loopt een crediteur van mij.
IV. Sylvia denkt: daar loopt een debiteur van mij.

A. I en IV zijn juist.
B. II en III zijn juist.
C. I en III zijn juist.
D. Alle beweringen zijn onjuist.

Opgave 3 Welke bewering is of welke beweringen zijn juist?

A. Schulden + Bezittingen = Eigen vermogen.
B. Schulden – Bezittingen = Eigen vermogen.
C. Bezittingen + Schulden = Eigen vermogen.
D. Bezittingen – Schulden = Eigen vermogen.

Opgave 4 Op een balans bedragen de schulden € 90.000,-. Het eigen vermogen bedraagt € 40.000,-. Hoe groot zijn de bezittingen?

A. € 40.000,-
B. € 50.000,-
C. € 90.000,-
D. € 130.000,-

Opgave 5 Van het eigen vermogen zijn de volgende gegevens bekend:
• Eigen vermogen op 1-1-2006 € 400.000,-
• Eigen vermogen op 1-1-2007 € 490.000,-
• Eigen vermogen op 1-1-2008 € 460.000,-

Welke veranderingen aan het vermogen zijn er plaatsgevonden in 2006 en in 2007.

A. 2006 vermogenstoename € 90.000,- 2007 vermogenstoename € 30.000,-
B. 2006 vermogenstoename € 90.000,- 2007 vermogensafname € 30.000,-
C. 2006 vermogensafname € 90.000,- 2007 vermogenstoename € 30.000,-
D. 2006 vermogensafname € 90.000,- 2007 vermogensafname € 30.000,-

Vind je vaste baan

Al 28 jaar is WR het Werving en Selectie bureau voor vaste banen.