BBV Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten

BBV Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten

Circulaire
Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten
van 17 januari 2003
Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
2
CIRCULAIRE BESLUIT BEGROTING EN VERANTWOORDING
PROVINCIES EN GEMEENTEN
van 20 januari 2003
Aan: De gemeentebesturen/provinciebesturen.
Onderwerp: Nieuwe voorschriften voor begroting en verantwoording
provincies en gemeenten
Doelstelling: Informeren over de nieuwe regelgeving
Relatie met andere
circulaires
Geldig tot: n.v.t.
Inlichtingen per e-mail:
 U wordt verzocht uw vragen per voorkeur electronisch te
stellen. Dit kan per email naar: Henk.Satter@MinBZK.nl
of Dienstpostbus.BFO@minbzk.nl
Telefonische inlichtingen:
10-12 uur:
b.g.g.
H. Satter
Y. Drese
(070) 426 6581
(070) 426 6277
Internet:
http://www.minbzk.nl/
vanaf 1 maart 2003 http://www.commissieBBV.nl
Datum:
20 januari 2003
Ons kenmerk:
FO2003/U51190
Onderdeel:
Afd. Financiële Organisatie
Binnenlands Bestuur
Inlichtingen:
Zie onder.
Aantal bijlagen:
Geen
Bezoekadres:
Schedeldoekshaven 200
2511 EZ Den Haag
Postadres
Postbus 20011
2500 EA Den Haag
FO2002/U64067

Inhoud
Inleiding 7
Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten 11
Nota van toelichting; I algemeen 29
1 Redenen voor een besluit begroting en verantwoording
provincies en gemeenten 29
2 Dualisering 31
3 Eigenheid en boek 2 BW 39
4 Veranderingen 43
5 Procedure 50
6 Overige 56
Nota van toelichting; II artikelsgewijs 57
Bijlage bij de toelichting van het Besluit begroting en verantwoording
provincies en gemeenten; Voorbeelden 91

Inleiding
Het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten
In deze circulaire is het ‘Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten’
(BBV) opgenomen. Dit Besluit vervangt vanaf begrotingsjaar 2004 het Besluit
comptabiliteitsvoorschriften 1995 (CV95).
De redenen voor de vervanging van de CV95 door de BBV zijn:
1. De dualisering van het gemeentebestuur en de voorgenomen dualisering van het provinciebestuur.
De dualisering leidt ertoe dat een andere begrotings- en verantwoordingsopzet
wenselijk is om de raad in zijn kaderstellende en controlerende taak beter te
ondersteunen.
Dit heeft onder andere tot gevolg gehad dat de functionele en categoriale indeling niet
meer leidend is voor het opstellen van de begroting. Gemeenten zijn nu vrij hun eigen
begroting, ook wel programmabegroting of duale begroting genoemd, in te delen.
De functionele en categoriale indelingen blijven echter wel noodzakelijk voor bijvoorbeeld
het Rijk, de toezichthouder, het CBS en de Europese Unie. Deze indelingen zijn met
ingang van het begrotingsjaar 2004 opgenomen in de ‘Ministeriële Regeling Informatie
voor derden’. Deze regeling zal binnenkort, eveneens in circulaire vorm, naar alle
gemeenten worden gestuurd.
2. De afbakening tussen het Burgerlijk Wetboek, boek 2, Titel 9 (boek 2 BW) waarin de
verslagleggingsvoorschriften voor privaatrechtelijke rechtspersonen zijn gegeven en de
specifieke begrotings- en verantwoordingsvoorschriften voor gemeenten (waar ook wel
naar wordt gerefereerd met ‘de eigenheid van gemeenten’) is in de praktijk niet duidelijk
genoeg gebleken. In dit besluit is boek 2 BW op meer plaatsten gevolgd, maar is tevens
duidelijker, dan in de CV95, aangegeven waar boek 2 BW niet is gevolgd, omdat er
behoefte is aan regels specifiek voor gemeenten. Dit betekent onder andere dat alle
bepalingen uit boek 2 BW die relevant zijn voor gemeenten expliciet zijn overgenomen
in de BBV.
Daarnaast zijn er in de BBV enkele maatregelen genomen ter verdere ondersteuning van
een eenduidige uitvoering en toepassing van de BBV. Centraal daarbij staat de ‘commissie
voor het besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten’ (de
commissieBBV) die in artikel 75 wordt ingesteld. Deze commissie heeft tot taak te zorgen
voor een eenduidige uitvoering en toepassing van dit besluit (zie verder onder
voorlichting).
Meer informatie over de redenen voor de BBV en de verschillen tussen de BBV en de CV95
wordt in de nota van toelichting gegeven. Hoofdstuk 2 van het algemene deel van de
toelichting gaat in op de dualisering en de betekenis ervan voor de BBV. In hoofdstuk 3 wordt
ingegaan op de eigenheid van gemeenten. In hoofdstuk 4 worden de belangrijkste verschillen
tussen de BBV en de CV95 besproken. Hoofdstuk 5 gaat in op de procedure van tot stand
koming van dit besluit. Hieronder wordt kort ingegaan op een deel van de procedure,
namelijk de relatie tussen de conceptversie van dit besluit (conceptbesluit
comptabiliteitsvoorschriften 2004 genoemd) en de BBV.
Relatie met conceptbesluit comptabiliteitsvoorschriften 2004
Een onderdeel van de procedure van tot standkoming van de BBV is dat ik eind januari 2002
VNG, IPO en Rfv heb verzocht advies uit te brengen over een conceptversie van de nieuwe
voorschriften voor gemeenten. Daarnaast is deze conceptversie breed verspreid (via de 
circulaire van 25 maart 2002 ‘De financiële functie in een duaal stelsel; een overzicht van de
regelgeving’; kenmerk; FO2002/U64067) en stond het een ieder vrij een reactie te sturen.
Dit heeft ertoe geleid dat er naast de adviezen van VNG, IPO en Rfv reacties zijn ontvangen
van de gemeente Rotterdam, het vakberaad gemeentefinanciën, Deloitte & Touche, Ernst &
Young, het Nivra en dhr Verhoef. Daarnaast zijn er nog diverse informele reacties binnengekomen.
De adviezen en reacties heb ik ter harte genomen. Daarnaast heeft de Raad van
State 4 december 2002 zijn advies uitgebracht. Ook met dit advies is rekening gehouden.
Dit alles heeft ertoe geleid dat er enkele inhoudelijke verschillen zijn tussen het
conceptbesluit comptabiliteitsvoorschriften 2004 en de BBV.
In tabel 1 zijn daarom de belangrijkste inhoudelijke verschillen tussen het conceptbesluit en
de BBV naast elkaar gelegd. Er wordt in de tabel niet uitgebreid ingegaan op de verschillen,
maar verwezen naar de desbetreffende artikelen in de BBV.
Tabel 1 inhoudelijke verschillen tussen het conceptbesluit comptabiliteitsvoorschriften
1995 en de BBV
Onderwerp dat anders is geregeld in de BBV t.o.v.
het conceptbesluit comptabiliteitsvoorschriften 2004 artikelen BBV
In de BBV is opgenomen dat: 20, 22, 35, 59 - 65
– investeringen met een economisch nut (uitgezonderd
kunstvoorwerpen met een cultuurhistorische waarde)
geactiveerd dienen te worden, dat dit systematisch dient te
gebeuren en dat de reserves er niet in op minder gebracht
mogen worden. Economisch nut is gedefinieerd in de BBV.
– investeringen in de openbare ruimte met een maatschappelijk
nut worden bij voorkeur niet geactiveerd. Indien ze toch worden
geactiveerd gelden afwijkende voorschriften.
In het conceptbesluit waren andere accenten gelegd.
Nazorgfondsen worden tegen actuele waarde geactiveerd, omdat 63
in de Wet fido deze uitzondering wordt gemaakt. In het
conceptbesluit was deze uitzondering niet opgenomen.
In het conceptbesluit was opgenomen dat er verplicht 20, 22, 44 en 49
voorzieningen getroffen dienen te worden voor arbeidskosten
gerelateerde verplichtingen, zoals de IZA-premies,
wachtgeldpremies en vakantiegeld. In de BBV is opgenomen dat
dergelijke voorzieningen niet hoeven te worden getroffen indien
het gaat om arbeidskosten gerelateerde verplichtingen van een
jaarlijks vergelijkbaar volume. Indien deze voorzieningen niet
worden getroffen dienen ze expliciet te worden opgenomen in
de uiteenzetting van de financiële positie en de
meerjarenraming
In het conceptbesluit was ter borging van de kwaliteit van de 72 en 74
informatie voor derden opgenomen dat er een
accountantsverklaring bij de verdelingsmatrix diende te worden
gevoegd. In de BBV is ter borging van de kwaliteit van de
verdelingsmatrix opgenomen dat: 

– er bij de verdelingsmatrix over het jaar 2004 een
accountantsverklaring wordt gegeven.
– dat de toezichthouder bij de verdelingsmatrix over andere jaren
een accountantsverklaring kan vragen indien er sprake is van
ingrijpende administratieve veranderingen
– het college van B&W de verdelingsmatrix over de jaar- en over
de kwartaalcijfers ondertekent.
– het CBS de verdelingsmatrix over de jaar- en over de
kwartaalcijfers toetst op plausibiliteit en de resultaten ervan
terugmeldt naar het college van B&W.
De commissie voor het Besluit begroting en verantwoording 75
provincies en gemeenten wordt ingesteld. Deze commissie was
niet opgenomen in het conceptbesluit.
Begrotingen en jaarstukken van deelgemeenten, ex. artikel 87 van de Gemeentewet, hoeven niet te worden geïntegreerd in de
begroting en jaarstukken van de gemeenten. Deze uitzondering
was niet opgenomen in het conceptbesluit
De afschrijvingstermijn van (dis)agio is maximaal gelijk aan de 64
looptijd van de geldlening. Dit was 5 jaar in het conceptbesluit.
In de BBV is een paragraaf lokale heffingen opgenomen. Het 
overzicht lokale heffingen dat in het conceptbesluit was
opgenomen is daarmee verdwenen.
Onder de baten en lasten wordt ook het over eigen vermogen 
berekende bespaarde rente verstaan. Dit was niet expliciet
opgenomen in het conceptbesluit.
Zoals al gezegd worden de verschillen tussen de BBV en de CV95 behandeld in hoofdstuk 4
van de algemene toelichting op de BBV.
Voorlichting
Naast deze circulaire met de BBV zelf verschijnt er op korte termijn een circulaire met daarin
opgenomen de Ministeriële Regeling informatie voor derden. In deze regeling staat, zoals
hierboven al aangeven de functionele en categoriale indeling (middels de zogenoemde
verdelingsmatrix).
Voorts zullen er voorjaar 2003 enkele andere circulaires verschijnen met daarin voor wat
betreft de BBV:
– het document ‘de uitgangspunten voor een gemodificeerd stelsel van baten en lasten van
provincies en gemeenten’. In dit document zijn de achter de BBV gelegen principes
uitgewerkt. De uitgangspunten kunnen worden gezien als de gemeentelijke tegenhanger van
het stramien voor de opstelling en vormgeving van jaarrekeningen voor privaatrechtelijke
rechtspersonen.
– vragen en antwoorden over de BBV 
– tips van enkele pilotgemeenten ten aanzien van de belangrijkste veranderingen van de BBV
ten opzichte van de CV95, zoals waardering activa, het onderscheid reserves en voorzieningen,
resultaatbepaling en -bestemming en de uiteenzetting van de financiële positie.
Voor wat betreft de Ministeriële Regeling informatie voor derden:
– vragen en antwoorden
– resultaten van enkele pilotgemeenten betreffende de verdelingsmatrix
De commissie BBV, die bij de BBV is ingesteld, heeft onder andere tot taak het zorgdragen
voor de uitgangspunten en de vragen & antwoorden. De commissie is feitelijk de opvolger
van de werkgroep ƒinanciële verslaglegging provincies en gemeenten die in 1998 is
ingesteld. De voorzitter van de commissie is dhr W.G.J. Wijntjes. Formeel start de
commissie BBV op 1 februari 2003. De website van de commissie (www.commissieBBV.nl),
met daarop onder andere de BBV, de vragen & antwoorden en de uitgangspunten, zal 1 maart
2003 worden geopend.
Ook op de website van het Ministerie van BZK (www.minbzk.nl) is informatie over de BBV te
vinden. Op beide websites worden ook publicaties gezet op het terrein van de duale
begroting, zoals de ‘handreiking duale begroting’ van februari 2002 en het boekje over de
eerste ervaringen met de duale begroting dat voorjaar 2003 verschijnt. Ook zult u via de
websites op de hoogte gehouden worden van nog op te starten voorlichtingsactiviteiten, zoals
een zoekprogramma voor de functionele en categoriale indeling.
DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES,
J.W. Remkes 

Besluit van 17 januari 2003 houdende de voorschriften voor de begrotings- en verantwoordingsdocumenten,
uitvoerings-informatie en informatie voor derden van provincies en gemeenten
(Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten).
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz.
enz. enz.
Op de voordracht van Onze minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van
1 juli 2002, nr. FO2002/U78569.
Gelet op artikel 190 van de Provinciewet en artikel 186 van de Gemeentewet;
De Raad van State gehoord (advies van 4 december 2002, nr. W04.02.0300/1);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
van 13 januari 2003, nr. FO2002/U100707
Hebben goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk I Algemene bepalingen
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. uitzettingen: alle uitgezette middelen;
b. verbonden partij: een privaatrechtelijke of publiekrechtelijke organisatie waarin de
provincie onderscheidenlijk gemeente een bestuurlijk en een financieel belang heeft;
c. financieel belang: een aan de verbonden partij ter beschikking gesteld bedrag dat niet
verhaalbaar is indien de verbonden partij failliet gaat onderscheidenlijk het bedrag
waarvoor aansprakelijkheid bestaat indien de verbonden partij haar verplichtingen niet
nakomt;
d. bestuurlijk belang: zeggenschap, hetzij uit hoofde van vertegenwoordiging in het bestuur
hetzij uit hoofde van stemrecht;
e. deelneming: een participatie in een besloten of naamloze vennootschap, waarin de
provincie onderscheidenlijk gemeente aandelen heeft;
f. CBS: Centraal bureau voor de statistiek;
g. rentetypische looptijd; als gedefinieerd in de Wet fido, artikel 1, onder b;
h. vaste schuld; als gedefinieerd in de Wet fido, artikel 1, onder d;
i. netto-vlottende schuld; als gedefinieerd in de Wet fido, artikel 1, onder e.
Artikel 2
1. Voor de begroting, de meerjarenraming, de jaarstukken, de productenraming en de
productenrealisatie wordt een stelsel van baten en lasten gehanteerd.
2. De baten en de lasten van het begrotingsjaar worden in de begroting, de jaarstukken, de
productenraming en de productenrealisatie opgenomen, onverschillig of zij tot inkomsten
of uitgaven in dat jaar leiden, onderscheidenlijk hebben geleid.
3. De baten en lasten worden geraamd dan wel verantwoord tot hun brutobedrag.
4. Onder de baten en lasten worden ook bedoeld de over het eigen vermogen berekende
bespaarde rente.
Artikel 3
1. De begroting, de meerjarenraming, de jaarstukken en de productenraming en de
productenrealisatie geven volgens normen die voor gemeenten en provincies als
aanvaardbaar worden beschouwd een zodanig inzicht dat een verantwoord oordeel kan 
worden gevormd over de financiële positie en over de baten en de lasten. In het bijzonder
provinciale staten en de raad moeten in staat zijn zich een zodanig oordeel te vormen.
2. De begroting, de meerjarenraming, de productenraming en de toelichtingen geven
duidelijk en stelselmatig de omvang van alle geraamde baten en lasten, alsmede het saldo
ervan weer. De begroting geeft tevens duidelijk en stelselmatig inzicht in de financiële
positie.
3. De jaarstukken, de productenrealisatie en de toelichtingen geven getrouw, duidelijk en
stelselmatig de baten en lasten van het begrotingsjaar, alsmede het saldo ervan weer.
De jaarrekening geeft tevens een getrouw, duidelijk en stelselmatig inzicht in de financiële
positie aan het einde van het begrotingsjaar.
Artikel 4
1. De indeling van de begroting en de jaarstukken is identiek.
2. Indien de indeling van de begroting, de meerjarenraming, de jaarstukken, de productenraming
en de productenrealisatie afwijkt van die van het voorafgaande begrotingsjaar
worden in de toelichting de verschillen aangegeven en worden de redenen die tot de
afwijking hebben geleid uiteengezet.
Artikel 5
Verbonden partijen worden niet geconsolideerd in de begroting en jaarstukken.
Artikel 6
1. De verordening, bedoeld in artikel 87 van de Gemeentewet, kan bepalen dat
deelgemeenten niet worden geïntegreerd in de begroting en de jaarstukken.
2. Indien toepassing wordt gegeven aan het eerste lid:
a. is dit besluit op de begroting, de begrotingswijzigingen, de meerjarenraming, de jaarstukken,
de productenraming en de productenrealisatie van de deelgemeenten van
toepassing;
b. worden de deelgemeenten in de begroting, de begrotingswijzigingen, de
meerjarenraming, de jaarstukken, de productenraming en de productenrealisatie van de
gemeente als verbonden partijen beschouwd.
Hoofdstuk II De begroting en de toelichting
Titel 2.1 Algemeen
Artikel 7
1. De begroting bestaat ten minste uit:
a. de beleidsbegroting;
b. de financiële begroting.
2. De beleidsbegroting bestaat ten minste uit:
a. het programmaplan;
b. de paragrafen.
3. De financiële begroting bestaat ten minste uit:
a. het overzicht van baten en lasten en de toelichting;
b. de uiteenzetting van de financiële positie en de toelichting. 

Titel 2.2 Het programmaplan
Artikel 8
1. Het programmaplan bevat de te realiseren programma’s, het overzicht van algemene
dekkingsmiddelen en het bedrag voor onvoorzien.
2. Een programma is een samenhangend geheel van activiteiten.
3. Het programmaplan bevat per programma:
a. de doelstelling, in het bijzonder de beoogde maatschappelijke effecten;
b. de wijze waarop ernaar gestreefd zal worden die effecten te bereiken;
c. de raming van baten en lasten.
4. De provincie onderscheidenlijk gemeente kan de baten en lasten per programma
verdelen in de onderdelen baten en lasten voor prioriteiten en voor overig.
5. Het overzicht algemene dekkingsmiddelen bevat ten minste:
a. lokale heffingen, waarvan de besteding niet gebonden is;
b. algemene uitkeringen;
c. dividend;
d. saldo van de financieringsfunctie;
e. saldo tussen de compensabele BTW en de uitkering uit het BTW-compensatiefonds;
f. overige algemene dekkingsmiddelen.
6. Het bedrag voor onvoorzien wordt geraamd voor de begroting in zijn geheel of per
programma.
Titel 2.3 De paragrafen
Artikel 9
1. In de begroting worden in afzonderlijke paragrafen de beleidslijnen vastgelegd met
betrekking tot relevante beheersmatige aspecten, alsmede tot de lokale heffingen.
2. De begroting bevat ten minste de volgende paragrafen, tenzij het desbetreffende aspect
bij de provincie onderscheidenlijk gemeente niet aan de orde is:
a. lokale heffingen;
b. weerstandsvermogen;
c. onderhoud kapitaalgoederen;
d. financiering;
e. bedrijfsvoering;
f. verbonden partijen;
g. grondbeleid.
Artikel 10
De paragraaf betreffende de lokale heffingen bevat ten minste:
a. de geraamde inkomsten;
b. het beleid ten aanzien van de lokale heffingen;
c. een overzicht op hoofdlijnen van de diverse heffingen;
d. een aanduiding van de lokale lastendruk;
e. een beschrijving van het kwijtscheldingsbeleid.
Artikel 11
1. Het weerstandsvermogen bestaat uit de relatie tussen:
a. de weerstandscapaciteit, zijnde de middelen en mogelijkheden waarover de provincie
onderscheidenlijk gemeente beschikt of kan beschikken om niet begrote kosten te
dekken; 
b. alle risico's waarvoor geen maatregelen zijn getroffen en die van materiële betekenis
kunnen zijn in relatie tot de financiële positie.
2. De paragraaf betreffende het weerstandsvermogen bevat ten minste:
a. een inventarisatie van de weerstandscapaciteit;
b. een inventarisatie van de risico’s;
c. het beleid omtrent de weerstandscapaciteit en de risico’s.
Artikel 12
1. De paragraaf betreffende het onderhoud van kapitaalgoederen bevat ten minste de
volgende kapitaalgoederen:
a. wegen;
b. riolering;
c. water;
d. groen;
e. gebouwen.
2. Van de kapitaalgoederen, bedoeld in het eerste lid, wordt aangegeven:
a. het beleidskader;
b. de uit het beleidskader voortvloeiende financiële consequenties;
c. de vertaling van de financiële consequenties in de begroting.
Artikel 13
De paragraaf betreffende de financiering bevat in ieder geval de beleidsvoornemens ten
aanzien van het risicobeheer van de financieringsportefeuille.
Artikel 14
De paragraaf betreffende de bedrijfsvoering geeft ten minste inzicht in de stand van zaken
en de beleidsvoornemens ten aanzien van de bedrijfsvoering.
Artikel 15
De paragraaf betreffende de verbonden partijen bevat ten minste:
a. de visie op verbonden partijen in relatie tot de realisatie van de doelstellingen die zijn
opgenomen in de begroting;
b. de beleidsvoornemens omtrent verbonden partijen.
Artikel 16
De paragraaf betreffende het grondbeleid bevat ten minste:
a. een visie op het grondbeleid in relatie tot de realisatie van de doelstellingen van de
programma’s die zijn opgenomen in de begroting;
b. een aanduiding van de wijze waarop de provincie onderscheidenlijk gemeente het
grondbeleid uitvoert;
c. een actuele prognose van de te verwachten resultaten van de totale grondexploitatie;
d. een onderbouwing van de geraamde winstneming;
e. de beleidsuitgangspunten omtrent de reserves voor grondzaken in relatie tot de risico’s van
de grondzaken. 

Titel 2.4 Het overzicht van baten en lasten en de toelichting
Artikel 17
Het overzicht van baten en lasten bevat:
a. per programma, of per programmaonderdeel, de raming van de baten en lasten en het
saldo;
b. het overzicht van de geraamde algemene dekkingsmiddelen en het geraamde bedrag voor
onvoorzien;
c. het geraamde resultaat voor bestemming, volgend uit de onderdelen a en b;
d. de beoogde toevoegingen en onttrekkingen aan reserves per programma;
e. het geraamde resultaat na bestemming, volgend uit de onderdelen c en d.
Artikel 18
In de besluiten tot wijziging van de begroting wordt per programma en, indien aanwezig, per
programmaonderdeel, de mutatie en het nieuwe geraamde bedrag vastgesteld.
Artikel 19
De toelichting op het overzicht van baten en lasten bevat ten minste:
a. het gerealiseerde bedrag van het voorvorig begrotingsjaar, het geraamde bedrag van het
vorig begrotingsjaar na wijziging en het geraamde bedrag van het begrotingsjaar;
b. de gronden waarop de ramingen zijn gebaseerd en, in geval van aanmerkelijk verschil met
de raming, respectievelijk de realisatie, van het vorig, respectievelijk voorvorig,
begrotingsjaar de oorzaken van het verschil;
c. een overzicht van de geraamde incidentele baten en lasten.
Titel 2.5 De uiteenzetting van de financiële positie en de toelichting
Artikel 20
1. De uiteenzetting van de financiële positie bevat een raming voor het begrotingsjaar van de
financiële gevolgen van het bestaande en het nieuwe beleid dat in de programma’s is
opgenomen.
2. Afzonderlijke aandacht wordt ten minste besteed aan:
a. de jaarlijks terugkerende arbeidskosten gerelateerde verplichtingen van vergelijkbaar
volume;
b. de investeringen; onderscheiden in investeringen met een economisch nut en
investeringen in de openbare ruimte met een maatschappelijk nut;
c. de financiering;
d. de stand en het verloop van de reserves;
e. de stand en het verloop van de voorzieningen.
Artikel 21
De toelichting op de uiteenzetting van de financiële positie bevat ten minste de gronden
waarop de ramingen zijn gebaseerd en een toelichting op belangrijke ontwikkelingen ten
opzichte van de uiteenzetting van de financiële positie van het vorig begrotingsjaar. 

Hoofdstuk III De meerjarenraming en de toelichting
Artikel 22
1. De meerjarenraming bevat een raming van de financiële gevolgen voor de drie jaren
volgend op het begrotingsjaar, waaronder de baten en de lasten van het bestaande en
het nieuwe beleid dat in de programma’s is opgenomen.
2. Artikel 20, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 23
De toelichting op de meerjarenraming bevat ten minste de gronden waarop de ramingen zijn
gebaseerd en een toelichting op belangrijke ontwikkelingen ten opzichte van de meerjarenraming
van het vorig begrotingsjaar.
Hoofdstuk IV De jaarstukken en de toelichting
Titel 4.1 Algemeen
Artikel 24
1. De jaarstukken bestaan ten minste uit:
a. het jaarverslag;
b. de jaarrekening.
2. Het jaarverslag bestaat ten minste uit:
a. de programmaverantwoording;
b. de paragrafen.
3. De jaarrekening bestaat uit:
a. de programmarekening en de toelichting;
b. de balans en de toelichting.
Titel 4.2 De programmaverantwoording
Artikel 25
1. De programmaverantwoording bestaat ten minste uit de verantwoording over de realisatie
van de programma’s en het overzicht van algemene dekkingsmiddelen. Daarnaast wordt
inzicht gegeven in het gebruik van het geraamde bedrag voor onvoorzien.
2. De programmaverantwoording biedt per programma inzicht in:
a. de mate waarin de doelstellingen zijn gerealiseerd;
b. de wijze waarop getracht is de beoogde maatschappelijke effecten te bereiken;
c. de gerealiseerde baten en lasten.
Titel 4.3 De paragrafen
Artikel 26
Het jaarverslag bevat de paragrafen die ingevolge artikel 9 in de begroting zijn opgenomen.
Ze bevatten de verantwoording van hetgeen in de overeenkomstige paragrafen in de
begroting is opgenomen. 

Titel 4.4 De programmarekening en de toelichting
Artikel 27
1. De programmarekening bevat:
a. de gerealiseerde baten en lasten per programma;
b. het overzicht van de gerealiseerde algemene dekkingsmiddelen;
c. het gerealiseerde resultaat voor bestemming, volgend uit de onderdelen a en b;
d. de werkelijke toevoegingen en onttrekkingen aan reserves;
e. het gerealiseerde resultaat na bestemming, volgend uit de onderdelen c en d.
2. De programmarekening bevat van de onderdelen genoemd in het eerste lid ook de
ramingen uit de begroting voor en na wijziging.
Artikel 28
De toelichting op de programmarekening bevat ten minste:
a. voor alle onderdelen van artikel 27, eerste lid, een analyse van de afwijkingen tussen de
begroting na wijziging en de programmarekening;
b. een overzicht van de aanwending van het bedrag voor onvoorzien;
c. een overzicht van de incidentele baten en lasten.
Artikel 29
De programmarekening wordt vastgesteld met inachtneming van hetgeen omtrent de
financiële positie op de balansdatum is gebleken tussen het moment van opmaken van de
programmarekening en het tijdstip van vaststelling daarvan, voor zover deze aanvullende
informatie onontbeerlijk is voor het in artikel 3 bedoelde inzicht.
Titel 4.5 De balans en de toelichting
Paragraaf 4.5.1 Algemeen
Artikel 30
In de balans worden naast de cijfers per balansdatum tevens de cijfers van de balans van het
vorige begrotingsjaar opgenomen.
Paragraaf 4.5.2 Hoofdindeling van de balans
Artikel 31
Op de balans worden de activa onderscheiden in vaste en vlottende activa, al naar gelang zij
zijn bestemd om de uitoefening van de werkzaamheid van de provincie onderscheidenlijk
gemeente al dan niet duurzaam te dienen.
Artikel 32
Op de balans worden de passiva onderscheiden in vaste en vlottende passiva. 

Paragraaf 4.5.3 Vaste activa
Artikel 33
Onder de vaste activa worden afzonderlijk opgenomen de immateriële, de materiële en de
financiële vaste activa.
Artikel 34
In de balans worden onder de immateriële vaste activa afzonderlijk opgenomen:
a. kosten verbonden aan het sluiten van geldleningen en het saldo van agio en disagio;
b. kosten van onderzoek en ontwikkeling voor een bepaald actief.
Artikel 35
1. In de balans worden onder de materiële vaste activa afzonderlijk opgenomen:
a. investeringen met een economisch nut;
b. investeringen in de openbare ruimte met een maatschappelijk nut.
2. Van de materiële vaste activa wordt aangegeven welke in erfpacht zijn uitgegeven.
Artikel 36
In de balans worden onder de financiële vaste activa afzonderlijk opgenomen:
a. kapitaalverstrekkingen aan:
1. deelnemingen;
2. gemeenschappelijke regelingen;
3. overige verbonden partijen;
b. leningen aan:
1. woningbouwcorporaties;
2. deelnemingen;
3. overige verbonden partijen;
c. overige langlopende leningen;
d. overige uitzettingen met een rentetypische looptijd van één jaar of langer;
e. bijdragen aan activa in eigendom van derden.
Paragraaf 4.5.4 Vlottende activa
Artikel 37
Onder de vlottende activa worden afzonderlijk opgenomen de voorraden, de uitzettingen met
een rentetypische looptijd korter dan één jaar, de liquide middelen en de overlopende activa.
Artikel 38
In de balans worden onder de voorraden afzonderlijk opgenomen:
a. grond- en hulpstoffen gespecificeerd naar:
1. niet in exploitatie genomen bouwgronden;
2. grond- en hulpstoffen;
b. onderhanden werk, waaronder bouwgronden in exploitatie;
c. gereed product en handelsgoederen;
d. vooruitbetalingen.
Artikel 39
In de balans worden onder de uitzettingen met een rentetypische looptijd korter dan één jaar
afzonderlijk opgenomen: 

a. vorderingen op openbare lichamen;
b. verstrekte kasgeldleningen;
c. rekening-courantverhoudingen met niet-financiële instellingen;
d. overige vorderingen;
e. overige uitzettingen.
Artikel 40
In de balans worden onder de liquide middelen de kas-, bank- en girosaldi opgenomen.
Paragraaf 4.5.5 Vaste Passiva
Artikel 41
Onder de vaste passiva worden afzonderlijk opgenomen het eigen vermogen, de voorzieningen
en de vaste schulden, met een rentetypische looptijd van één jaar of langer.
Artikel 42
1. Het eigen vermogen bestaat uit de reserves en het resultaat na bestemming volgend uit de
programmarekening.
2. Het in het eerste lid bedoelde resultaat wordt afzonderlijk opgenomen als onderdeel van
het eigen vermogen.
Artikel 43
1. In de balans worden de reserves onderscheiden naar:
a. de algemene reserve;
b. bestemmingsreserves die dienen om ongewenste schommelingen op te vangen in de
tarieven die aan derden in rekening worden gebracht, maar die niet specifiek besteed
hoeven te worden;
c. overige bestemmingsreserves.
2. Een bestemmingsreserve is een reserve waaraan provinciale staten respectievelijk de raad
een bepaalde bestemming heeft gegeven.
Artikel 44
1. Voorzieningen worden gevormd wegens:
a. verplichtingen en verliezen waarvan de omvang op de balansdatum onzeker is, doch
redelijkerwijs te schatten;
b. op de balansdatum bestaande risico's ter zake van bepaalde te verwachten verplichtingen
of verliezen waarvan de omvang redelijkerwijs is te schatten;
c. kosten die in een volgend begrotingsjaar zullen worden gemaakt, mits het maken van die
kosten zijn oorsprong mede vindt in het begrotingsjaar of in een voorafgaand begrotingsjaar
en de voorziening strekt tot gelijkmatige verdeling van lasten over een aantal
begrotingsjaren.
2. Tot de voorzieningen worden ook gerekend van derden verkregen middelen die specifiek
besteed moeten worden.
3. Voorzieningen worden niet gevormd voor jaarlijks terugkerende arbeidskosten
gerelateerde verplichtingen van vergelijkbaar volume.
Artikel 45
Rentetoevoegingen aan voorzieningen zijn niet toegestaan. 

Artikel 46
In de balans worden onder de vaste schulden afzonderlijk opgenomen:
a. obligatieleningen;
b. onderhandse leningen van:
1. binnenlandse pensioenfondsen en verzekeringsinstellingen;
2. binnenlandse banken en overige financiële instellingen;
3. binnenlandse bedrijven;
4. overige binnenlandse sectoren;
5. buitenlandse instellingen, fondsen, banken, bedrijven en overige sectoren;
c. door derden belegde gelden;
d. waarborgsommen.
Paragraaf 4.5.6 Vlottende passiva
Artikel 47
Onder de vlottende passiva worden afzonderlijk opgenomen de netto-vlottende schulden,
met een rentetypische looptijd korter dan één jaar en de overlopende passiva.
Artikel 48
In de balans worden onder de netto-vlottende schulden afzonderlijk opgenomen:
a. kasgeldleningen;
b. bank- en girosaldi;
c. overige schulden.
Artikel 49
Onder de overlopende passiva worden verplichtingen opgenomen die in het begrotingsjaar
zijn opgebouwd en die in een volgende begrotingsjaar tot betaling komen, met uitzondering
van jaarlijks terugkerende arbeidskosten gerelateerde verplichtingen van vergelijkbaar
volume.
Artikel 50
Aan de passiefzijde van de balans wordt buiten de balanstelling opgenomen het bedrag
waartoe aan natuurlijke en rechtspersonen borgstellingen of garantstellingen zijn verstrekt.
Paragraaf 4.5.7 Toelichting op de balans
Artikel 51
In de toelichting op de balans wordt aangegeven volgens welke methoden de afschrijvingen
worden berekend. Ook wordt aangegeven welke investeringen in de openbare ruimte met een
maatschappelijk nut worden geactiveerd, welke afschrijvingstermijn hiervoor wordt voorzien
en welke reserves hiervoor naar verwachting beschikbaar zullen zijn.
Artikel 52
1. In de toelichting op de balans worden onder de materiële vaste activa afzonderlijk
opgenomen:
a. gronden en terreinen;
b. woonruimten;
c. bedrijfsgebouwen; 
d. grond-, weg- en waterbouwkundige werken;
e. vervoermiddelen;
f. machines, apparaten en installaties;
g. overige materiële vaste activa.
2. In de toelichting op de balans wordt het verloop van de activa, als bedoeld in het eerste lid,
gedurende het begrotingsjaar, in een sluitend overzicht weergegeven. Daaruit blijken, voor
zover van toepassing:
a. de boekwaarde aan het begin van het begrotingsjaar;
b. de investeringen of desinvesteringen;
c. de afschrijvingen;
d. bijdragen van derden direct gerelateerd aan een actief;
e. afwaarderingen wegens duurzame waardeverminderingen;
f. de boekwaarde aan het einde van het begrotingsjaar.
Artikel 53
In de toelichting op de balans worden de niet in de balans opgenomen belangrijke financiële
verplichtingen vermeld waaraan de provincie of de gemeente voor toekomstige jaren is
verbonden.
Artikel 54
1. In de toelichting op de balans worden de aard en reden van elke reserve en de
toevoegingen en onttrekkingen daaraan toegelicht.
2. Per reserve wordt het verloop gedurende het jaar in een overzicht weergegeven.
Daaruit blijken:
a. het saldo aan het begin van het begrotingsjaar;
b. de toevoegingen of onttrekkingen via de resultaatbestemming bij de
programmarekening;
c. de toevoegingen of onttrekkingen uit hoofde van de bestemming van het resultaat van
het voorgaande boekjaar;
d. de verminderingen in verband met afschrijvingen op activa waarvoor een specifieke
bestemmingsreserve is gevormd;
e. het saldo aan het einde van het begrotingsjaar.
Artikel 55
1. In de toelichting op de balans worden de aard en reden van elke voorziening en de
wijzigingen daarin toegelicht.
2. Per voorziening wordt het verloop gedurende het jaar in een overzicht weergegeven.
Daaruit blijken:
a. het saldo aan het begin van het begrotingsjaar;
b. de toevoegingen;
c. ten gunste van de rekening van baten en lasten vrijgevallen bedragen;
d. de aanwendingen;
e. saldo aan het einde van het begrotingsjaar.
Artikel 56
In de toelichting op de balans wordt de rentelast voor het begrotingsjaar vermeld van alle
vaste schulden, genoemd in artikel 46. 

Artikel 57
1. In de toelichting op de balans worden de borgstellingen, bedoeld in artikel 50,
gespecificeerd naar de aard van de geldleningen.
2. Per specificatie wordt vermeld:
a. het oorspronkelijk bedrag van de gewaarborgde geldlening;
b. het percentage van het leningbedrag waarvoor borgstelling is verleend;
c. het restantbedrag van de lening bij aanvang van het begrotingsjaar;
d. het restantbedrag van de lening aan het eind van het begrotingsjaar.
3. In de toelichting op de balans wordt een specificatie opgenomen van de garantstellingen
als bedoeld in artikel 50.
4. In de toelichting wordt ook opgenomen het totaalbedrag van de betalingen die inzake
de borg- en garantstelling zijn gedaan tot en met het eind van het begrotingsjaar.
Artikel 58
Artikel 29 is van overeenkomstige toepassing op de balans.
Hoofdstuk V Waardering, activeren en afschrijven
Artikel 59
1. Alle investeringen met een economisch nut worden geactiveerd.
2. Investeringen hebben een economisch nut indien ze verhandelbaar zijn en/of indien ze
kunnen bijdragen aan het genereren van middelen.
3. In afwijking van het eerste lid worden kunstvoorwerpen met een cultuur-historische
waarde niet geactiveerd.
4. Investeringen in de openbare ruimte met een maatschappelijk nut kunnen worden
geactiveerd.
Artikel 60
Kosten van onderzoek en ontwikkeling voor een bepaald actief kunnen worden geactiveerd
indien:
a. het voornemen bestaat het actief te gebruiken of te verkopen;
b. de technische uitvoerbaarheid om het actief te voltooien vaststaat;
c. het actief in de toekomst economisch of maatschappelijk nut zal genereren en;
d. de uitgaven die aan het actief zijn toe te rekenen betrouwbaar kunnen worden vastgesteld.
Artikel 61
Bijdragen aan activa in eigendom van derden kunnen worden geactiveerd, indien:
a. er sprake is van een investering door een derde;
b. de investering bijdraagt aan de publieke taak;
c. de derde zich heeft verplicht tot het daadwerkelijk investeren, op een wijze zoals is
overeengekomen en;
d. de bijdrage kan worden teruggevorderd, indien de derde in gebreke blijft of de provincie
onderscheidenlijk gemeente anders recht kan doen gelden op de activa die samenhangen
met de investering.
Artikel 62
1. Alle vaste activa worden voor het bedrag van de investering geactiveerd.
2. In afwijking van het eerste lid mogen bijdragen van derden die in directe relatie staan met
een actief op de waardering daarvan in mindering worden gebracht. 
3. In afwijking van het eerste lid mogen reserves in mindering worden gebracht op
investeringen, als bedoeld in artikel 59, het vierde lid.
Artikel 63
1. Activa worden gewaardeerd op basis van de verkrijgings- of vervaardigingsprijs.
2. De verkrijgingsprijs omvat de inkoopprijs en de bijkomende kosten.
3. De vervaardigingsprijs omvat de aanschaffingskosten van de gebruikte grond- en hulpstoffen
en de overige kosten, welke rechtstreeks aan de vervaardiging kunnen worden
toegerekend. In de vervaardigingsprijs kunnen voorts worden opgenomen een redelijk
deel van de indirecte kosten en de rente over het tijdvak dat aan de vervaardiging van het
actief kan worden toegerekend; in dat geval vermeldt de toelichting dat deze rente is
geactiveerd.
4. Voor in erfpacht uitgegeven gronden geldt de uitgifteprijs van eerste uitgifte als
verkrijgingsprijs. Gronden in eeuwigdurende erfpacht worden gewaardeerd tegen
registratiewaarde.
5. Van activa waarvan de bestemming verandert, wordt de actuele waarde van de nieuwe
bestemming in de toelichting op de balans opgenomen.
6. In afwijking van het eerste lid is waardering tegen actuele waarde toegestaan voor de activa
van de Nazorgfondsen bedoeld in artikel 15.47 van de Wet milieubeheer.
7. Passiva worden gewaardeerd tegen de nominale waarde, met uitzondering van
voorzieningen die tegen contante waarde zijn gewaardeerd.
8. Eventuele voorzieningen wegens oninbaarheid worden met de nominale waarde van
leningen en vorderingen verrekend.
Artikel 64
1. De afschrijvingen geschieden onafhankelijk van het resultaat van het boekjaar.
2. Slechts om gegronde redenen mogen de afschrijvingen geschieden op andere grondslagen
dan die welke in het voorafgaande begrotingsjaar zijn toegepast. De reden van de
verandering wordt in de toelichting op de balans uiteengezet. Tevens wordt inzicht
gegeven in haar betekenis voor de financiële positie en voor de baten en de lasten aan de
hand van aangepaste cijfers voor het begrotingsjaar of voor het voorafgaande
begrotingsjaar.
3. Op vaste activa met een beperkte gebruiksduur wordt jaarlijks afgeschreven volgens een
stelsel dat is afgestemd op de verwachte toekomstige gebruiksduur.
4. In afwijking van het eerste en het derde lid kan er op de activa, bedoeld in artikel 59, vierde
lid, extra worden afgeschreven.
5. In afwijking van het derde lid is de afschrijvingsduur voor de immateriële vaste activa,
bedoeld in artikel 34 onder a, maximaal gelijk aan de looptijd van de lening.
6. In afwijking van het derde lid is de afschrijvingsduur voor de immateriële vaste activa,
bedoeld in artikel 34 onder b, ten hoogste vijf jaar.
Artikel 65
1. Naar verwachting duurzame waardeverminderingen van vaste activa worden onafhankelijk
van het resultaat van het boekjaar in aanmerking genomen.
2. Voorraden en deelnemingen worden tegen de marktwaarde gewaardeerd indien de
marktwaarde lager is dan de verkrijgings- of vervaardigingsprijs.
3. Een actief dat buiten gebruik wordt gesteld wordt afgewaardeerd op het moment van
buitengebruikstelling, indien de restwaarde lager is dan de boekwaarde. 

Hoofdstuk VI Uitvoeringsinformatie
Artikel 66
1. De uitvoeringsinformatie bestaat uit:
a. de productenraming en toelichting ten tijde van de begroting;
b. de productenrealisatie en toelichting ten tijde van de jaarstukken.
2. De productenraming respectievelijk productenrealisatie bevat:
a. de uitwerking van de programma’s in producten;
b. de geraamde respectievelijk gerealiseerde baten, lasten en het saldo per product;
c. het verdelingsprincipe waarmee de producten over de programma’s zijn verdeeld.
3. De productenraming respectievelijk productenrealisatie is integraal en omvat dezelfde
totaalbedragen als de begroting respectievelijk de jaarstukken.
4. Producten zijn eenheden waarin de programma’s zijn onderverdeeld.
5. De indeling van en de verdelingsprincipes behorende bij de productenrealisatie zijn
identiek aan die van de productenraming.
Artikel 67
1. De toelichting op de productenraming bestaat ten minste uit een overzicht van
kapitaallasten.
2. De toelichting op de productenrealisatie bestaat ten minste uit:
a. een overzicht van kapitaallasten;
b. een lijst van verbonden partijen;
c. de toelichting op onderhanden werk inzake grondexploitatie, bedoeld in artikel 38,
onder a, onder 1 en onder b.
Artikel 68
In het overzicht van de kapitaallasten wordt de volgende informatie gegeven:
a. de afschrijvingen;
b. de toegerekende rente.
Artikel 69
In de lijst van verbonden partijen wordt ten minste de volgende informatie verstrekt over
verbonden partijen:
a. de naam en de vestigingsplaats;
b. het openbaar belang dat op deze wijze behartigd wordt;
c. de veranderingen die zich hebben voorgedaan gedurende het begrotingsjaar in het belang
dat de gemeente onderscheidenlijk provincie in de verbonden partij heeft;
d. het eigen vermogen en het vreemd vermogen van de verbonden partij aan het begin en
aan het einde van het begrotingsjaar;
e. het resultaat van de verbonden partij.
Artikel 70
1. In de toelichting op het onderhanden werk inzake grondexploitatie wordt voor het totaal
van de in exploitatie zijnde complexen aangegeven:
a. de boekwaarde aan het begin van het begrotingsjaar;
b. de vermeerderingen in het begrotingsjaar;
c. de verminderingen in het begrotingsjaar;
d. de boekwaarde aan het einde van het begrotingsjaar;
e. de geraamde nog te maken kosten en een onderbouwing hiervan;
f. de geraamde opbrengsten en een onderbouwing hiervan; 
g. het geraamde eindresultaat;
h. een uiteenzetting van de wijze waarop eventuele nadelige resultaten worden opgevangen.
2. Van de nog niet in exploitatie genomen gronden wordt de gemiddelde boekwaarde per m2
vermeld.
Hoofdstuk VII Informatie voor derden
Artikel 71
1. Uit de productenraming wordt de volgende informatie voor derden gegenereerd:
a. een conversietabel producten - programma’s waarin wordt aangegeven:
1. welke producten onder welk programma vallen, inclusief de verdeelsleutel;
2. wat de baten, de lasten en het saldo per product zijn;
b. een conversietabel producten - functies, waarin wordt aangegeven:
1. de baten en lasten volgens de functionele indeling;
2. per functie de producten die er aan zijn toegerekend;
3. het verdelingsprincipe waarmee de producten over de functies zijn verdeeld;
2. De functionele indeling wordt bij ministeriële regeling vastgesteld.
3. De informatie bedoeld in het eerste lid wordt voor 15 november van het jaar voorafgaand
aan het begrotingsjaar, aan Onze Minister onderscheidenlijk gedeputeerde staten en het
CBS gezonden.
Artikel 72
1. Uit de productenrealisatie wordt de volgende informatie voor derden gegenereerd:
a. een conversietabel producten - programma’s waarin wordt aangegeven:
1. welke producten onder welk programma vallen, inclusief de verdeelsleutel;
2. wat de baten, de lasten en het saldo per product zijn;
b. verdelingsinformatie bestaande uit:
1. de baten en lasten, kostenplaatsen en balansmutaties volgens de verdelingsmatrix;
2. per functie de producten die er aan zijn toegerekend;
3. het verdelingsprincipe waarmee de producten over de functies zijn verdeeld.
2. De verdelingsmatrix wordt bij ministeriële regeling vastgesteld.
3. De informatie bedoeld in het eerste lid wordt voor 15 juli van het jaar, volgend op het
begrotingsjaar, ondertekend door gedeputeerde staten onderscheidenlijk het college aan
Onze Minister onderscheidenlijk gedeputeerde staten en het CBS gezonden.
4. Het CBS toetst de informatie bedoeld in het eerste lid, onder b, onder 1, op plausibiliteit en
stuurt de resultaten daarvan op naar gedeputeerde staten onderscheidenlijk het college.
5. Bij de informatie bedoeld in het eerste lid betreffende het begrotingsjaar 2004 wordt een
accountantsverklaring gevraagd. Bij belangrijke wijzigingen in de administratie kan
Onze Minister onderscheidenlijk gedeputeerde staten een accountantsverklaring aan
gedeputeerde staten onderscheidenlijk het college vragen.
Artikel 73
Indien de informatie voor derden niet voldoende inzicht biedt kan Onze Minister een deelverantwoording
over een afzonderlijk deel van de provincie onderscheidenlijk gemeente
vragen. 

Artikel 74
1. Ieder kwartaal wordt de volgende informatie voor derden verstrekt:
a. de baten en lasten, kostenplaatsen en balansmutaties volgens de verdelingsmatrix,
als bedoeld in artikel 72, tweede lid;
b. de stand van zaken betreffende de volgende activa:
1. de financiële vaste activa, als bedoeld in artikel 36, onder a tot en met d;
2. de uitzettingen, als bedoeld in artikel 39;
3. de liquide middelen, als bedoeld in artikel 40;
4. de overlopende activa;
c. de stand van zaken betreffende de volgende passiva:
1. de vaste schulden, als bedoeld en onderverdeeld in artikel 46;
2. de netto-vlottende schulden, als bedoeld en onderverdeeld in artikel 48;
3. de overlopende passiva.
2. De informatie genoemd in het eerste lid wordt, ondertekend door gedeputeerde staten
onderscheidenlijk het college, binnen één maand na afloop van het kwartaal gezonden
aan het CBS.
3. Het CBS toetst de informatie bedoeld in het eerste lid op plausibiliteit en stuurt de
resultaten daarvan op naar gedeputeerde staten onderscheidenlijk het college.
Hoofdstuk VIII Commissie Besluit Begroting en verantwoording
Artikel 75
1. Er is een commissie voor het Besluit begroting en verantwoording provincies en
gemeenten.
2. De commissie draagt zorg voor een eenduidige uitvoering en toepassing van dit besluit.
De commissie draagt daartoe ten minste zorg voor:
a. een document dat de eenduidige interpretatie bevordert;
b. de beantwoording van vragen.
3. De commissie bestaat uit:
a. één onafhankelijk voorzitter;
b. één secretaris;
c. drie leden werkzaam als financieel ambtenaar bij gemeenten;
d. één lid werkzaam bij de Vereniging van Nederlandse Gemeenten;
e. twee leden werkzaam bij een provincie;
f. één lid werkzaam bij het Ministerie van Financiën;
g. één lid werkzaam bij het CBS;
h. één lid werkzaam in de provinciale of gemeentelijke accountancy;
i. één lid werkzaam als gemeentesecretaris;
j. één lid werkzaam als raadsgriffier of statengriffier;
k. één lid werkzaam als inspecteur bij de Inspectie Financiën Lokale en provinciale
Overheden;
4. De leden van de commissie hebben op persoonlijke titel zitting in de commissie en nemen
deel aan de vergaderingen zonder last.
5. Onze Minister benoemt en ontslaat de voorzitter, bedoeld in het derde lid, onder a,
wijst een secretaris aan uit een van zijn ambtenaren en voorziet in het secretariaat.
6. De voorzitter benoemt de leden, bedoeld in het derde lid, onder c tot en met k. 

De benoeming geschiedt op voordracht van:
a. de Vereniging van Nederlandse Gemeenten voor twee van de leden, bedoeld in het derde
lid onder c en voor het lid, bedoeld in het derde lid onder d;
b. de Vereniging Federatie van Algemene Middelenmanagers bij de Overheid voor één van
de leden, bedoeld in het derde lid onder c;
c. het Interprovinciaal Overleg voor de leden, bedoeld, in het derde lid onder e;
d. de Minister van Financiën voor het lid, bedoeld in het derde lid onder f;
e. het CBS voor het lid, bedoeld in het derde lid onder g;
f. de Vereniging van Gemeentesecretarissen voor het lid, bedoeld in het derde lid onder i;
g. Onze Minister voor het lid, bedoeld in het derde lid onder k.
7. Het lidmaatschap van de commissie vervalt zodra een lid niet langer werkzaam is op het
terrein, aangegeven in het derde lid, dan wel een instanties als genoemd in het zesde lid
onder a tot en met g, een andere persoon voordraagt als lid aan de voorzitter van de
commissie.
Hoofdstuk IX Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 76
1. In afwijking van artikel 63, eerste lid, worden activa, die op 31 december 1994 tegen
actuele waarde zijn gewaardeerd, volgens de op dat moment aanwezige boekwaarde voor
de rest van de periode afgeschreven.
2. In afwijking van artikel 62, eerste lid, worden alle activa waar voor 31 december 2003
reserves op in mindering zijn gebracht op de waarde volgens de op 31 december 2003
aanwezige boekwaarde voor de rest van de periode afgeschreven.
Artikel 77
Het Besluit comptabiliteitsvoorschriften 1995 wordt ingetrokken, met dien verstande dat het
voor de begrotingswijzigingen, de jaarrekening en het jaarverslag over het jaar 2003 nog van
kracht blijft.
Artikel 78
Dit besluit treedt in werking per 1 februari 2003, met dien verstande dat de begroting,
meerjarenraming, de jaarstukken, de uitvoeringsinformatie en de informatie voor derden
en de daarbij behorende toelichtingen met ingang van de begroting voor het begrotingsjaar
2004 voldoen aan de bepalingen van dit besluit.
Artikel 79
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit begroting en verantwoording provincies en
gemeenten.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het
Staatsblad zal worden geplaatst.
DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES, 
 

Nota van toelichting
I Algemeen
Hoofdstuk 1 Redenen voor een besluit begroting en verantwoording
provincies en gemeenten
Paragraaf 1.1 Doel van het besluit
De Provinciewet en Gemeentewet schrijven voor dat provincies respectievelijk gemeenten
een begroting, meerjarenraming, jaarrekening en jaarverslag maken en geven enkele
vereisten waaraan de genoemde documenten dienen te voldoen. Artikel 190 van de
Provinciewet en artikel 186 van de Gemeentewet bepalen dat de begroting, de begrotingswijzigingen,
de meerjarenraming, het jaarverslag en de jaarrekening, van provincies en
gemeenten voldoen aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te geven regels.
Voor de begrotingsjaren 1995 tot en met 2003 gold het Besluit comptabiliteitsvoorschriften
1995. Vanaf begrotingsjaar 2004 geldt het Besluit begroting en verantwoording provincies
en gemeenten.
Dit besluit beoogt zodanige eisen aan de genoemde documenten te stellen dat gewaarborgd is
dat de door diverse partijen benodigde informatie wordt geleverd. In de eerste plaats is dat de
informatiebehoefte van provinciale staten respectievelijk de raad. De waarborging van de
informatiebehoefte van deze organen staat bij dit besluit voorop, omdat het budgetrecht een
van de belangrijkste rechten van provinciale staten respectievelijk de raad is. In de tweede
plaats hebben burgers en maatschappelijke organisaties recht op informatie. In principe
moet de informatie voor provinciale staten en de raad ook in die behoefte kunnen voorzien.
Voorts hebben gedeputeerde staten en het college informatiebehoeften met het oog op hun
taak de provincie of gemeente te besturen. Ten slotte, hebben diverse derden informatiebehoeften:
toezichthouders, voor het beoordelen van de sluitendheid van de begroting en
rekening; het rijk voor de evaluatie van het provincie- en het gemeentefonds en de financiële
verhouding in een breder perspectief en het CBS, vanwege de behoefte aan informatievoorziening
op macro-economisch niveau en op Europees niveau.
Paragraaf 1.2 Besluit comptabiliteitsvoorschriften 1995
In 1995 is het Besluit comptabiliteitsvoorschriften 1995 (CV 95) in werking getreden.
Dit besluit verving zowel het Besluit provinciale comptabiliteitsvoorschriften 1979 als het
Besluit gemeentelijke comptabiliteitsvoorschriften 1982. De aanleiding voor herziening van
deze twee besluiten tot de CV 95 was de algehele herziening van de Provinciewet en
Gemeentewet. Deze aanleiding is aangegrepen om één besluit te maken, in plaats van twee.
Ook is in de CV 95 het stelsel van baten en lasten verder ontwikkeld, ten opzichte van het
Besluit provinciale comptabiliteitsvoorschriften 1979 en het Besluit gemeentelijke
comptabiliteitsvoorschriften 1982.
Bij de voorbereiding van de CV 95 werden drie uitgangspunten geformuleerd:
1) de te verstrekken informatie in de begroting en jaarstukken dient aan algemeen aanvaarde
kwaliteitseisen te voldoen, zoals juistheid, betrouwbaarheid, volledigheid en relevantie.
2) titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek (Boek 2 BW) fungeert als leidraad, tenzij de
eigenheid van provincies en gemeenten het niet toelaat. Door boek 2 BW als referentiekader
te gebruiken krijgen bedrijfseconomische principes een meer prominente plek in de
regelgeving. 

3) het democratisch beginsel in combinatie met het beginsel van autonomie. Bij de
voorschriften is steeds gekeken in hoeverre deze beginselen het voorschrijven van regels
noodzakelijk maken.
Paragraaf 1.3 Waarom een nieuw besluit?
Hoewel de drie uitgangspunten van de CV 95 in belangrijke mate nog steeds actueel zijn,
zijn er toch aanleidingen om de comptabiliteitsvoorschriften te vervangen door dit besluit.
1) De afbakening tussen boek 2 BW enerzijds en de eigenheid van gemeenten anderzijds is
in de praktijk niet duidelijk genoeg gebleken. Een belangrijke reden voor de gebleken
onduidelijkheid over eigenheid is dat het begrip eigenheid in de toelichting op de CV 95 is
gebruikt, maar niet is gedefinieerd, waardoor er te veel ruimte voor interpretatie van de
regelgeving is gebleken en de vraag is gerezen of de CV 95 op alle punten consistent zijn.
Een en ander is de aanleiding geweest de comptabiliteitsvoorschriften weer door te lichten.
Uit deze doorlichting is een aantal wenselijke veranderingen ten opzichte van de CV 95
voortgekomen, dat is verwerkt in dit besluit. Voorts is uit deze doorlichting naar voren
gekomen dat de eigenheid van gemeenten belangrijk is. De eigenheid is in dit besluit dan ook
verder uitgewerkt (zie hoofdstuk 3). Daarnaast zijn de consequenties van de eigenheid voor de
voorschriften voor de begroting en verantwoording duidelijker in beeld gebracht dan in de CV
95.
Ook blijkt uit discussies dat het principe ‘boek 2 BW is leidend’ vaak te letterlijk is genomen.
Dit, in combinatie met mijn standpunt dat de eigenheid van gemeenten op onderdelen van
onderscheidend belang is, heeft ertoe geleid dat in dit besluit het principe ‘boek 2 BW is
leidend’ is vervangen door het principe ‘een eigenstandig kader voor provincies en
gemeenten’ (zie verder hoofdstuk 3). Kern van dit eigenstandig kader is dat in dit besluit voor
gemeenten niet het stelsel van baten en lasten volgens boek 2 BW wordt gevolgd, maar een
gemodificeerd stelsel van baten en lasten wordt voorgeschreven.
2) Per 11 maart 2003 zal naar verwachting de Wet dualisering provinciebestuur in werking
treden. Per 7 maart 2002 is de Wet dualisering gemeentebestuur al in werking getreden.
De Wet dualisering gemeentebestuur regelt de ontvlechting van de posities van de raad en
het college, dat wil ondermeer zeggen dat collegeleden niet meer tevens lid van de raad zijn.
De Wet regelt ook de ontvlechting van de taken van raad en college. In de nieuwe taakverdeling
heeft de raad de kaderstellende en controlerende taak en heeft het college tot taak
te besturen en verantwoording af te leggen. Bij de Wet dualisering gemeentebestuur is
geconstateerd dat de financiële functie van gemeenten nog de nodige versterking behoeft.
Daarom is de Gemeentewet op een aantal punten gewijzigd (zie de memorie van toelichting
bij het wetsvoorstel dualisering gemeentebestuur, kamerstukken 2000/2001 27 751, nr. 3).
Ook voor de begroting en jaarstukken heeft de dualisering gevolgen: de begroting moet de
raad meer nog dan voorheen ondersteunen in zijn kaderstellende rol. Ook de controlerende
functie van de raad dient te worden versterkt. Dit heeft geleid tot twee belangrijke principes
bij de begroting en de jaarstukken die ten grondslag liggen aan dit nieuwe besluit (Besluit
begroting en verantwoording provincies en gemeenten):
1) iedere doelgroep zijn eigen informatie/documenten
2) de raad stelt beleidsuitgangspunten van beheersaspecten en van de lokale heffingen vast.
Volledigheidshalve dient hier te worden opgemerkt dat het Besluit begroting en
verantwoording provincies en gemeenten voor provincies en gemeenten tegelijkertijd in
werking treedt. Dit ondanks het feit dat het provinciebestuur in 2003 wordt gedualiseerd en
het gemeentebestuur al in 2002 is gedualiseerd. Omdat het besluit per begrotingsjaar 2004
in werking treedt wordt ervan uitgegaan dat het in dat jaar voor zowel provincies als
gemeenten mogelijk is aan de nieuwe voorschriften te voldoen. 

Een ontwikkeling die meespeelt bij dit nieuwe besluit is de toegenomen informatiebehoefte
van met name externe partijen. Redenen voor de toegenomen informatiebehoefte zijn de
steeds complexer wordende maatschappij en de uitbreidingen van het takenpakket van
gemeenten. Deze ontwikkelingen hebben onder andere invloed op de taak van de toezichthouder.
Daarnaast heeft ook de Europese Unie informatiebehoeften, bijvoorbeeld vanwege de
eisen die aan de openbare financiën worden gesteld. Bovendien hebben gemeenten ook zelf
de behoefte aan vergelijkingen met andere gemeenten. Het is belangrijk aan al deze
informatiebehoeften te voldoen. Echter de altijd al bestaande frictie tussen informatiebehoeften
van derden en de vergelijkbaarheid enerzijds en de sturingsmogelijkheden van
gemeenten anderzijds zal drastisch worden vergroot indien aan de informatiebehoefte van
de diverse partijen nog steeds zou worden voldaan via één begrotingsdocument of één
jaarrekening/jaarverslag. De toenemende informatiebehoefte is een extra reden waarom het
principe ‘iedere doelgroep zijn eigen informatie/documenten’ juist nu wordt geïntroduceerd.
Paragraaf 1.4 Inhoudsopgave
Hieronder wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op de relatie tussen dit besluit en de dualisering.
De toegenomen informatiebehoefte van derden wordt daarbij ook beschreven. In hoofdstuk 3
wordt ingegaan op de relatie tussen eigenheid, boek 2 BW en dit besluit. Vervolgens worden
in hoofdstuk 4 de belangrijkste veranderingen ten opzichte van de CV 95 aangegeven.
Daarna wordt in hoofdstuk 5 ingegaan op de procedure die is gevolgd bij de totstandkoming
van dit besluit. In dat hoofdstuk wordt ook ingegaan op de adviezen die VNG, IPO en Rfv
over de conceptversie van dit besluit hebben gegeven. Hoofdstuk 6 gaat in op de
internationale ontwikkelingen en de financiële gevolgen voor provincies en gemeenten van
dit besluit en de wijze waarop wordt omgegaan met de bekostigingswijze van deze financiële
gevolgen. Ten slotte volgen de artikelsgewijze toelichting en de bijlage bij de toelichting met
voorbeelden.
Hoofdstuk 2 Duali

Bent u op zoek naar een specialist op het gebied van gemeenten? Bekijk hier onze beschikbare gemeente specialisten

Vind je vaste baan

Al 28 jaar is WR het Werving en Selectie bureau voor vaste banen.